Loading...

Elite in de Late Oudheid

Van stadsbestuurder naar bisschop

Essay 2008 23 Pages

History - World History - Early and Ancient History

Excerpt

Inhoudsopgave

Inleiding

Het einde van de curiales

De sociale achtergrond van de geestelijkheid

Welvaart en armoede

Conclusie

Literatuur

Inleiding

Elite wordt in het woordenboek omschreven als: ‘kleine, besloten groep van vooraanstaande, bevoorrechte mensen’, aldus de Van Dale. In elke samenleving is er een bepaalde elite die in verschillende mate de macht in handen heeft. Bij de Romeinen was dit niet anders. Mijn onderzoek richt zich op de elite van het Oostelijk deel van het Romeinse Rijk in de Late Oudheid.

De Romeinen drongen in de vroege tweede eeuw voor Christus door in het oostelijke mediterrane gebied, waar voorheen de Grieken en de Perzen de macht hadden en de laatste eeuwen het Hellenisme wijdverbreid was. In de loop van de volgende twee eeuwen namen de Romeinen het gehele gebied over, de impact van het Hellenisme in het gebied was groot, en vele steden waren volgens het Griekse model opgebouwd. Met de verovering van Griekenland, Klein-Azië, Syrië, Palestina en Egypte hadden de Romeinen de macht overgenomen in een rijk en welvarend gebied, met vele grote en beroemde steden zoals Athene, Efeze, Antiochië, Alexandrië en vele andere.[1]

Het Oostelijk deel van het Romeinse Rijk was een conglomeraat van autonome steden, elk met een omliggend platteland. Zolang de steden voldeden aan de eisen van het Rijk, het betalen van belastingen, het leveren van soldaten, het onderhoud van publieke gebouwen en het onder controle houden van de lokale bevolking, waren ze in grote mate vrij om zichzelf te besturen. De rol van de provinciale gouverneur was dan in vele gevallen ook beperkt tot het toezien op de belastinginkomsten en het toestemming verlenen voor grote bouwprojecten. Deze steden werden bestuurd door een lokale elite, dit in de vorm van een erfelijke, oligarchische groep van grootgrondbezitters die samen de Raad, Curia in het Latijn en Boulē in het Grieks, vormden. Deze raadsleden, de curiales of bouleutai, waren verantwoordelijk voor het innen van de belastingen, het algemene onderhoud van de stad en alle andere taken die de keizerlijke overheid van hen verlangde. Voor deze elite was de stad niet alleen een economisch centrum, maar de focus van hun politieke, sociale en culturele levens.[2]

Met de bekering van Constantijn de Grote naar het Christendom in 313 brak er een nieuwe periode aan in de Romeinse geschiedenis die grote gevolgen had voor de hierboven genoemde elite. De Christelijke kerk ging een steeds belangrijkere rol spelen in het dagelijks leven van de bevolking van het Romeinse Rijk. De organisatie van de kerk werd professioneler en enorm uitgebreid in de loop van de vierde tot en met de zesde eeuw. De ‘oude’ goden verdwijnen in rap tempo uit het dagelijks leven van de Romeinen, zeker nadat Theodosius I het christendom in 391 tot staatsgodsdienst maakt. Er ontstaat een duidelijke hiërarchie in de geestelijkheid, aangevoerd door de bisschoppen, wiens politieke prominentie als gevolg hiervan enorm stijgt. De publieke rol en de politieke macht van de bisschop wordt zo groot dat hij in veel gevallen de machtigste persoon van een stad wordt.[3]

De gevolgen van deze overgang naar het Christendom en de opkomende macht van de geestelijkheid in de steden blijft natuurlijk niet zonder gevolgen voor de lokale elite. De geestelijkheid bestond echter voor een groot gedeelte uit deze zelfde elite, die dus een carrièrestap maakten en besloten God te gaan dienen. In de Late Oudheid zien we dus een lokale elite die bestaat uit de bisschop, de rest van de geestelijkheid en een aantal prominente grootgrondbezitters, die in veel gevallen eenzelfde sociale achtergrond hadden. De vraag die rijst is of er wel degelijk iets verandert?

The Fall of Rome lijkt te zoeken naar een verslechtering van een bepaalde situatie, deze negatieve connotatie gaat niet meer op in het recente onderzoek naar de elite in het Oostelijk Romeinse Rijk in de Late Oudheid. Verandering en transformatie zijn tegenwoordig de termen die gebruikt worden, en onderzoek wijst uit dat de Oost-Romeinse steden van de vierde tot zesde eeuw in veel gevallen bloeiende en welvarende steden waren.[4] Dit in tegenspraak tot Libanius’ teksten die beweerde dat het ‘the end of the World as we know it’ was. Het is vooral dankzij de recente archeologie dat de periode niet meer als een periode van verval wordt gezien, qua literaire bronnen zijn vooral de hagiografieën een belangrijke informatiebron.

Mijn onderzoeksvraag luidt: op welke manier verandert de rol van de elite met de opkomst van het Christendom en welke consequenties zijn hieraan te verbinden?

Het onderzoeksgebied is het oostelijk deel van het Romeinse Rijk in de vierde tot en met de zesde eeuw na Christus. Hierbij maak ik de kanttekening dat het om de grote lijnen gaat, daar de situatie per regio en per stad natuurlijk verschillend is geweest.

Mijn essay is vooral gebaseerd op secundaire literatuur, waarbij vooral Claudia Rapp, Mark Whittow en Peter Brown belangrijk zijn geweest.

Het einde van de curiales

Dertig jaar geleden vertelde een geschiedenisboek over het Late Romeinse Rijk dat het in de tweede eeuw na Christus een hoogtepunt bereikte, gevolgde door een crisis in de derde. Die crisis werd overwonnen, maar met als gevolg dat het Rijk vanaf Diocletianus een enorm gemilitariseerde wereld was, afhankelijk van een gigantisch bureaucratisch apparaat en hoge belastingen. Het oostelijke deel van het Rijk was rijker dan het Westelijk en daarom beter in staat deze last te dragen. Het Westen stortte in in de vijfde eeuw, het Oosten strompelde door tot in de zevende eeuw toen het voor het grootste deel door de Arabieren werd veroverd. Wat over bleef was de Byzantijnse wereld. Toen dit meer en meer op het oude Rome begon te lijken, met grootgrondbezitters die land van de boeren afnamen en ze hun vrijheid ontnamen, met te veel bureaucratie en een te hoge belasting, viel alsnog de genadeklap en werden ze verslagen door de Turken.[5]

De archeologie van de Late Oudheid, wat niet verward moet worden met Christelijke archeologie, vormt echter een beeld dat niet te rijmen valt met de bovengegeven samenvatting. In veel steden in de Late Oudheid is bewijs gevonden van de constructie van publieke en privégebouwen die wijzen op een continuerende stedelijke vitaliteit. Daarnaast levert de archeologie van aardewerk en munten eenzelfde beeld over de economie van deze periode. In tegenstelling tot een periode van ‘fall and decline’ is de periode van vierde tot de halverwege de zevende eeuw een periode van expansie.[6]

Toch klopt het beeld dat het Rijk vanaf Diocletianus een enorm gemilitariseerde wereld was, met een grote bureaucratie en een hoge belastingdruk. Mikhail Rostovtzeff schreef in zijn The Social and Economic History of the Roman Empire uit 1926:

“The emperors of the fourth century and above all, Diocletian, grew up in the atmosphere of violence and compulsion… They took their duties seriously… Their aim was to save the Roman Empire and they achieved it… They never asked whether it was worthwhile to save the Roman Empire in order to make it a vast prison for scores of millions of men.”[7]

Dit veranderde de wereld voor de curiales en was uiteindelijk ook haar ondergang. De curiales was de groep burgers die een plaats had in de curia, het stadsbestuur. Dit was een positie die status met zich meebracht, maar ook voor vele kosten zorgde. De taak van de curiales was het innen van de belastingen voor het Rijk, het onderhoud van de stad en andere taken die het Rijk van ze verlangde. Het was een oligarchische groep van landbezitters die de macht in de steden naar zich toe had getrokken.[8] De legitimatie van deze macht werd bewerkstelligd door euergetisme, uitgaven die de gehele burgerlijke gemeenschap ten goede kwamen, zoals de constructie van publieke gebouwen, de organisatie van religieuze festivals en het uitdelen van voedsel of geld.

De opkomst van het euergetisme ligt in de derde en tweede eeuw voor Christus.[9] Het euergetisme is nauw verbonden met de opkomst van oligarchische elitaire groepen die steeds meer de macht naar zich toetrekken en zodoende een kloof tussen de elite en de non-elite creëren. Het euergetisme diende in deze als een bewaker van de sociale stabiliteit tussen de elite en de non-elite die haar politieke macht uit handen gaf. De elite idealiseerde de oligarchische heerschappij en sociale hiërarchie terwijl ze op hetzelfde moment het belang van de eenheid van het burgerschap en de eenheid van de gemeenschap benadrukte. Door het optreden als weldoener die hoge uitgaven deed ten behoeve van alle leden van de gemeenschap wist de elite haar nieuwe functie te legitimeren. Het geeft de stap van de klassieke polis naar de hellenistische polis weer, een hiërarchisch gestructureerde samenleving waarin de burgerlijke eenheid nog steeds een dominerende factor was. Euergetisme was een instrument waarmee de ladder van de hiërarchie beklommen kon worden, een middel om je plaats in de gemeenschap te definiëren. Daarnaast blijft ook het gewone volk nog steeds een rol van betekenis spelen, zij het op een andere, minder directe manier. Euergetisme was een proces van reciprociteit waarbij de stem van het volk de richting min of meer bepaalde door middel van het prestige dat ze de elite toekende. De weldaden van de elite waren gericht op de gemeenschap, burgerschap en de burgerlijke idealen met als doel de eenheid en status van de polis te vergroten en het politieke systeem van oligarchie in stand te houden dat door de demos werd gelegitimeerd door middel van haar ‘counter-gift’ van prestige.[10] De demos had dus een middel om misbruik af te straffen en verdween hierdoor niet van het politieke toneel. De burgerlijke eenheid en de gemeenschapsideologie bleven, zij het in een gelaagde hiërarchische variant, gewoon bestaan.

[...]


[1] Mark Whittow, ‘Ruling the Late Roman and Early Byzantine City: A Continuous History’, Past and Present 129 (1990) 4.; A.H.M. Jones, Cities of the Eastern Roman Provinces (Oxford 1971).

[2] Whittow, Ruling, 5-6.

[3] Claudia Rapp, Holy Bishops in Late Antiquity; The Nature of Christian Leadership in an Age of Transition (London 2005) 7-8.

[4] Zie bijvoorbeeld: Mark Whittow, ‘Decline and Fall? Studying long-term change in the East’, Theory and Practice in Late Antique Archeaology ed. L. Lavan and W. Bowden (Leiden 2003) 404-425.

[5] Whittow, Decline, 405.

[6] Ibidem, 405-6.

[7] Mikhail Rostovtzeff, The Social and Economic History of the Roman Empire (Oxford 1926) 477-478. ; Peter Brown,’The Study of Elites in Late Antiquity’ Elites in Late Antiquity, ed. C. Rapp (2000) 326.

[8] Whittow, Ruling, 4-5.

[9] Arjan Zuiderhoek, Citzens, elites and benefactors; The politics of publice generosity in Roman Asia Minor (Groningen 2006) 10-11; Volgens P. Veyne begint het euergetisme in de 3e eeuw B.C., volgens P. Gaulthier in de late 2e eeuw B.C.

[10] Ibidem, 11-13.

Details

Pages
23
Year
2008
ISBN (eBook)
9783640298334
ISBN (Book)
9783640303557
File size
478 KB
Language
Dutch
Catalog Number
v124678
Institution / College
University of Groningen
Grade
8.0
Tags
Elite Late Oudheid College Paper

Author

Share

Previous

Title: Elite in de Late Oudheid