Lade Inhalt...

Liberaal-imperialisme in het Wilhelminische Duitsland. Ernst Jäckh en Turkije

Wissenschaftlicher Aufsatz 2006 27 Seiten

Geschichte Europa - Deutschland - 1848, Kaiserreich, Imperialismus

Leseprobe

LIBERAAL IMPERIALISME IN HET WILHELMINISCHE DUITSLAND: ERNST JÄCKH EN TURKIJE.

“So war ich, wo immer ich war, mit meiner Türkei verbunden, und die Türkei wurde wo immer ich wirkte, ein Verbündeter des Volkes, in dem ich lebte – in Deutschland, England und Amerika”[1]

Inleiding

Ernst Jäckh wordt in de meeste Duitse, historische overzichtswerken kort aangeduid als een publicist met liberaal-imperialistische ideeën en als voorstander van de aanleg van de Bagdadspoorweg. De beperkte aandacht voor hem geeft aan, dat hij niet echt als een belangrijk man wordt beschouwd en bovendien is die beperkte aandacht voor hem dan ook nog meestal negatief van toon. Over Ernst Jäckhs bijdrage aan het enthousiasme voor Turkije in Duitsland voor de eerste wereldoorlog schrijft de historicus W.J. Mommsen: “Den wirtschaftlichen Zukunftschancen, die die ökonomische Durchdringung des Osmanischen Reiches vermittels des Baus der Bagdadbahn zu eröffnen versprach, wurde in der deutschen Gesellschaft vor 1914 allergröβte Bedeutung zugemessen, nicht nur im Parlament und in der öffentlichen Meinung, sondern auch in den Kreisen der Wirtschaft und der Hochfinanz. Allerdings bestand auch hier eine gewaltige Kluft zwischen den rosaroten Erwartungen, die namentlich reichlich oberflächlich orientierte Publizisten wie Ernst Jäckh und Paul Rohrbach in der breiteren Öffentlichkeit weckten und den wirtschaftlichen Realitäten.”[2].

In scherp contrast hiermee staat het zelfbeeld van Ernst Jäckh. In 1954 verscheen deel 1 van de memoires van Ernst Jäckh ‘Der goldene Pfug’. De auteur onderstreept direct aan het begin van zijn boek zijn gewicht met twee citaten:”So ging es zu das während des ersten Weltkriegs aus dem Reichsmarineamt Kapitän Humann mir schrieb: ‘Ich weiβ aus vielen eigenen Erfahrungen sehr wohl, in welchem Verhältnis Sie zu al den hohen Chefs stehen, die ich in Ihrem gastlichen Haus Antraf – Reichskanzler und Oberkommandierende; alles tun Sie als freier Mann, mit eigenen Zielen und Wegen…”[3] Vervolgens citeert hij Walter Schücking, die aan het internationaal gerechtshof te Den Haag verbonden was en die hem kort voor de Tweede Wereldoorlog schreef:”…es scheint sich auch auβerhalb Deutschlands zu wiederholen, was wir in Berlin erlebt und was ein englischer Autor so charakterisierte: Ýou could talk and dine with kings and not lose the common touch”[4] In een toelichtende voetnoot bij dit citaat somt de auteur een lange reeks van hoogwaardigheidsbekleders op met wie hij in zijn leven allemaal verkeerde en op wie hij invloed uitoefende: “Kaiser und Kronprinzessin, Reichspräsidenten, türkischer Sultan und persischer Schah, Könige von Würtemberg und Bayern, Griechenland und Bulgarien, badische, hessische und arabische Prinzen und Thronfolger, republikanische Präsienten der Vereinigten Staaten, von Frankreich, Tschechoslowakei und Schweiz, den baltischen Staaten und Israel.”[5]

Men zou verwachten, dat wie in contact heeft gestaan met zoveel hoofdrolspelers, ook een belangrijke rol speelt in de herinneringsliteratuur uit deze periode. Dat is evenwel niet het geval. Alleen Theodor Heuss gaat in zijn memoires iets uitvoeriger in op Ernst Jäckh.

Een dergelijke tegenstelling maakt nieuwsgierig naar het antwoord op de vraag wie deze Ernst Jäckh nu eigenlijk was.

1 Wilhelminisch Duitsland

Ernst Jäckh werd geboren in 1875 in de stad Urach te Wurtenberg. Zijn jeugd en middelbare schooltijd speelden zich af in het saturierte Duitsland van Bismarck, studietijd en de eerste 15 jaar van zijn loopbaan daarentegen in het Wilhelminische Duitsland. Deze laatste periode is bepalend geweest voor de vorming en politieke ontwikkeling van Ernst Jäckh. Het is de tijd van de Wilhelminische Weltpolitik. De tijd waarin Duitsland gaat deelnemen aan de jacht van de grote mogendheden op koloniën, maar als laatkomer stuit op een al haast verdeelde wereld.

Duitsland kon nog enkele niet bijzonder belangrijke brokstukken bemachtigen in Afrika en het Verre Oosten, maar liep elders, met name in het Midden-Oosten, tegen reeds verdeelde invloedsferen aan.[6] De Duitse jacht op een plaats onder de zon kreeg hierdoor een zo mogelijk nog hectischer karakter dan die van landen als Engeland en Frankrijk.

Weltpolitik wordt de Duitse variant van het imperialisme genoemd. Nu is imperialisme een breed begrip. In dit essay wordt eronder verstaan economische, politieke en territoriale machtsuitoefening van geïndustrialiseerde landen over andere minder of niet ontwikkelde landen of gebieden in de wereld. Zo bezien is imperialisme niet een verschijnsel, dat zich alleen heeft voorgedaan in het tijdvak 1880-1914. Het is in feite van alle tijden. Wel typerend voor deze periode is, de intensiteit waarmee zich dit verschijnsel toen wereldwijd voordeed.[7]

Dat Duitsland in deze jaren naar uitbreiding van zijn invloed en macht in de wereld streefde is op zich dan ook niets uitzonderlijks. Het kon zich echter pas manifesteren, toen Duitsland door de eenwording in 1871 een machtsfactor van betekenis in Europa geworden was. Onder Bismarck werd de ontwikkeling van een Duits imperialisme nog ingeperkt door zijn voorzichtige, op consolidatie gerichte beleid. De generatie van Wilhelm II liet zich daardoor niet meer leiden. Zij was trots op de eenwording van Duitsland in 1871, die was bereikt op basis van militaire kracht en die gevolgd was door een indrukwekkende economische groei, die Duitsland in de top van de geïndustrialiseerde mogendheden had gebracht. Deze generatie zette de angst voor een tweefrontenoorlog, waar Bismarck steeds zo bang voor was geweest, van zich af.[8] Zij keek naar voren, was optimistisch gestemd en wilde, dat Duitsland het deel kreeg waarop het recht had, niet alleen in het Europese machtsevenwichtsysteem, maar ook op wereldniveau. Onder Weltpolitik verstond deze generatie aanvankelijk niet Duitse hegemonie, maar machtsevenwicht in de wereld.[9]

Toonaangevende Duitse intellectuelen,waaronder zich opvallend veel historici bevonden, hielden onderling uiteenlopende betogen die steeds uitmondden in dezelfde conclusie: Duitsland moest op evenredige wijze deel hebben aan een mondiaal machtsevenwichtsysteem. Een respectabel historicus zoals H. Delbrűck pleitte in dit verband voor de vervanging van de Engelse hegemonie ter zee door een systeem van deling van macht zoals in het verleden de Franse hegemonie ten tijde van Napoleon I vervangen was door het Europese machtsevenwichtstelsel. Andere historici zoals Hermann Oncken, Erich Marcks en Friedrich Meinecke hadden gelijke opvattingen. “ Sie alle waren erfűllt von dem Glauben an das sich aus dem alten Konzert organisch fortentwickelnde Konzert der Weltmächte, das eine Űberwinding der englischen Hegemonie erfordere und fűr dessen Herausbildung Deutschland zum Wohl auch der űbrigen groβen Völker Kämpfen műsse”[10]

2 Pressiegroepen, politieke partijen en Weltpolitik.

Weltpolitik werd in de twee decennia rond 1900 het onderwerp van discussie bij uitstek in politiek en intellectueel Duitsland. Zoals gebruikelijk slaagden de uitersten van het politieke spectrum er het beste in om tot een duidelijke standpuntbepaling te komen. Aan de ene kant was dit het Alldeutscher Verband, dat steeds meer invloed kreeg op de Deutsch Konservative Partei en aan de andere kant was dit de SPD.

Het programma van het Alldeutscher Verband loog er niet om. In zijn boek uit 1912 ‘Wenn ich der Kaiser wär’ schreef de leider van het Alldeutscher Verband Heinrich Claβ, dat

Duitsland, wilde het kunnen voortbestaan, ruimte nodig had, die het eventueel via preventieve oorlogen zou moeten verwerven in zowel West- als Oost-Europa. De hoofdexpansierichting moest Zuidoost-Europa zijn, waarbij tevens de as Berlijn-Bagdad betrokken diende te worden.[11]

Hoewel het Alldeutscher Verband, dat in 1891 was opgericht uit protest tegen de ruil van Zanzibar tegen Helgoland, extreem was in zijn standpunten, kwamen zijn leden veelal voort uit het ‘Bildungs- und Besitzbűrgertum’. Vanaf 1910 werd het Alldeutscher Verband ook steeds meer gesteund door industriëlen en grootgrondbezitters.[12] Via de Bund deutscher Landwirte met wie het Alldeutscher Verband vanaf 1913 steeds nauwer ging samenwerken en de Deutskonservative Partei, oefende het Alldeutscher Verband veel invloed uit op het debat over de Weltpolitik.[13] Hierdoor schoven na de eeuwwisseling de standpunten van de nationaalliberalen en de konservatieven geleidelijk aan op naar de opvattingen van het Alldeutscher Verband.

De SPD was de enige politieke partij die de Weltpolitik klip en klaar afwees zowel vanwege het oorlogsgevaar dat daaraan verbonden was als ook omdat zij daarin een middel zag van de gevestigde orde om sociale hervormingen tegen te houden. De revisionisten binnen de partij en de vakbonden stonden iets genuanceerder tegenover Weltpolitik, omdat zij een relatie zagen tussen de versterking van Duitslands economische en politieke machtspositie in de wereld en de mogelijkheden om de economische positie van de arbeiders te verbeteren.[14]

2.1 Liberalisme en Weltpolitik: uiteenlopende opties.

De liberalen hadden van alle partijen de meeste moeite om een eenduidig antwoord te formuleren op het verschijnsel Weltpolitik. Weltpolitik was in wezen strijdig met de liberale principes, omdat het een sterke nationale overheid vooronderstelde en ingrijpen van de staat betekende in het vrije spel van de maatschappelijke en economische krachten. Desondanks toonde het Duitse liberalisme zich ontvankelijk voor het imperialisme vooral omdat het zo nauw verbonden was met het tot stand komen van de Duitse eenheid in 1871en daardoor met de nationale idee. Daarnaast was de liberale ideologie niet diepgeworteld in de Duitse geschiedenis. Zij kon bij voorbeeld niet terugzien op een lange traditie van succesvolle vrijhandel, zoals in Engeland. Het liberalisme in Duitsland was hierdoor ideologisch minder zelfbewust en minder goed in staat weerstand te bieden aan opvattingen die in feite haaks stonden op de eigen uitgangspunten. Daarbij kwam dat Weltpolitik of imperialisme zowel nationaal als internationaal in de jaren 1880-1914 het Europese politieke denken zozeer beheerste, dat het bijna als een internationaal, collectief idee fixe te karakteriseren valt. In die zin doet het denken aan de positie die de neoliberale ideologie heden ten dage inneemt. In een dergelijke constellatie doet zich het fenomeen voor, dat politieke partijen vanuit innerlijke onzekerheid of opportunisme hun heil gaan zoeken bij de heersende ideologie ook al is deze strijdig met de eigen uitgangspunten. In de afgelopen twee à drie decennia kon men dit verschijnsel waarnemen bij diverse West-Europese sociaal-democratische partijen, die aansluiting zochten bij de heersende neoliberale ideologie door in hun politieke programma’s marktdenken, privatisering en andere neoliberale stokpaardjes op te nemen. De Wilhelminische liberalen reageerden rond de eeuwwisseling niet veel anders op de populariteit van Weltpolitik. Het resultaat van hun onzekerheid tegenover de gezaghebbende positie van het imperialisme als ideologie was, dat het niet tot een eenduidig en consistent antwoord kon komen. Het viel uiteen in verschillende groepen. ([15] )

In grote lijnen kunnen er vier onderscheiden worden. De pricipieel radicale liberalen wezen imperialisme en kolonialisme af. De overheid had in hun ogen een zeer beperkte taak, de markt moest het werk doen, laissez faire stond voorop. In deze visie was Weltpolitik zonder meer verwerpelijk en slechts verspilling van geld. Genuanceerder lag dit bij de tweede groep liberale tegenstanders van Weltpolitik. Zij waren meer pragmatisch ingesteld, wezen weliswaar staats-imperialisme af, maar waren geen tegenstander van vergroting van invloed op overzeese gebieden zolang dit maar door private ondernemingen gedaan werd. Tot deze richting kunnen politici zoals Ludwig Bamberger en Theodor Barth gerekend worden.

De derde groep liberalen, de nationaal-liberalen was uit overwegingen van reaalpolitiek ronduit voorstander van Weltpolitiek. De nationaal-liberalen zagen hierin het ideale middel om alle burgerlijke groeperingen te verenigen rondom één doel, waardoor de liberalen de grootste politieke partij konden worden en de SPD de wind uit de zeilen genomen zou worden. Wel distantieerde deze groep zich van de opvattingen van het Alldeutscher Verband

2.2 De vierde optie: het liberaal-imperialisme

De vierde groep liberalen was in feite het spiegelbeeld van de derde. Ook zij waren voorstander van Weltpolitik, maar in tegenstelling tot de derde groep juist omdat zij daarin een middel tot maatschappelijke en politieke vernieuwing van het Wilhelminische Duitsland zagen. Weltpolitik kon in deze visie alleen een succes worden, wanneer deze gedragen werd door de gehele bevolking. De macht van de oude politieke elite moest daarom gebroken worden. Door hervorming van de grondwet moest de gehele bevolking toegang tot de macht krijgen. Daarnaast waren de aanhangers van deze links-liberale richting ervan overtuigd, dat Weltpolitik economisch noodzakelijk was: Duitsland met zijn snel groeiende bevolking zou economisch niet kunnen overleven zonder nieuwe afzetmarkten en gronstoffenleveranciers. Max Weber en Friedrich Naumann waren degenen die deze richting vorm gaven zowel intellectueel als politiek. Met name Friedrich Naumann zou ook een belangrijke rol gaan spelen in het leven van Ernst Jäckh.

Tegen deze politieke en maatschappelijke achtergrond spelen zich de eerste vier decennia van Ernst Jäckhs leven af.

3 Ernst Jäckh

Ernst Jäckh werd geboren op 22 februari 1875 te Urach in Wurtemberg, waar zijn vader een warenhuis dreef. De sporen van de familie Jäckh gaan van vaderszijde terug tot aan de dertigjarige oorlog. Het meest voorkomende beroep in deze familie was dat van landbouwer, maar dat verandert in het begin van de negentiende eeuw. Diverse leden van de familie dringen dan door tot het hoger onderwijs en gaan andere beroepen uitoefenen. Zo was Ernst Jäckhs grootvader als leraar, onderwijsinspecteur en predikant werkzaam. Zijn zonen bekleedden functies als hoogleraar en apotheker. Alleen de vader van Ernst Jäckh, Ludwig Jäckh studeerde vanwege een zwakke gezondheid niet. Hij ging in de handel, maar was niet echt een succesvol zakenman, wat door Ernst Jäckh aan zijn teruggetrokken karakter toegeschreven werd.[16] Zijn moeder, Caroline Borst, stamde uit een oude familie van wevers, afkomstig uit de omgeving van Göppingen. Zij kreeg uit haar huwelijk met Ludwig Jäckh 13 kinderen, waarvan slechts vijf in leven bleven. Ernst Jäckh omschrijft het gezin waarin hij opgroeide als vroom-christelijk. Bidden en werken waren er de norm en voor de twee in leven gebleven zoons uit dit gezin gold, dat zij de best mogelijke schoolopleiding moesten krijgen om vervolgens door een studie theologie in de voetsporen van hun grootvader te treden.

Voor de beste leerlingen van de gymnasia bestond destijds in Wurtemberg de mogelijkheid om via een vergelijkend examen toegelaten te worden tot een evangelisch theologisch seminarie een eliteschool ter voorbereiding op een theologiestudie. Het opleidingsprogramma van een dergelijk seminarie was intensief en stond in het teken van ‘ora et labora’. Het internaatsleven was er spartaans en het onderwijsprogramma was er volledig op de klassieke talen en het klassieke denken gericht.

Ernst Jäckh spreekt in zijn herinneringen positief over de vormende waarde van deze opleiding met zijn klassiek humanistische opleidingsprogramma, waarin aan moderne talen en natuurkunde nauwelijks aandacht werd geschonken. Als verworvenheden somt hij op: inzicht dat politiek, democratie en religie ten nauwste samenhangen. Democratie is de politieke vertaling van het religieuze besef, dat alle mensen naar Gods beeld geschapen zijn en dat alle mensen daarom gelijkwaardig zijn. Hier ontwikkelde Ernst Jäckh naar eigen zeggen het besef, dat ieder mens als lid van de polis verplicht is politiek betrokken te leven en politiek actief te zijn[17]

Desondanks werd het hem in de loop van zijn seminarietijd duidelijk, dat hij geen ambities had om theologie te gaan studeren. In die zin noemt Ernst Jäckh het achteraf bezien een gelukkig toeval, dat hij na een aantal kwajongensachtige streken van de opleiding werd verwijderd. Het maakte het voor hem gemakkelijker om aan zijn ouders duidelijk te maken, dat theologie niets voor hem was. De pil werd voor zijn ouders bovendien verguld door zijn toelating tot het fameuze Karls Gymnasium te Stuttgart.

Na zijn eindexamen studeerde Ernst Jäckh Duitse en Franse letterkunde, politieke wetenschappen, geschiedenis, kunstgeschiedenis en psychologie aan de universiteiten van Stuttgart, Breslau, Geneve, München en Heidelberg of zoals hij zegt: “alle Varietäten vom liberalen Südwesten zum preussischen nordosten, Neckar-Rhein Kultur in einer der erlauchtesten Hochschulen Europas und ostelbisches Kolonialland mit kaum überstandener Leibeigenschaft, dazu schweizerisch-calvinistische Luft mit Erinnerungen an Rousseau und Voltaire”[18]

Jäckh schrijft in zijn memoires, dat hij zich in zijn studiejaren ontwikkelde tot een nonconformistisch denker. Hij volgde de Dreyfuss-affaire in Frankrijk op de voet en wees het antisemitisme af. De Joodse cultuur en het daaruit voortgekomen monotheïsme zag hij als één van de belangrijkste bronnen van de westerse cultuur. In Breslau werd hij zich bewust van de typische, agrarische problematiek van het grootgrondbezit in de gebieden ten oosten van de Elbe. In Zwitserland kwam hij in contact met Russische dissidenten en raakte hij geïnteresseerd in de politieke problematiek van het tsaristische Rusland. In München en Heidelberg bracht zijn broer hem in contact met vooraanstaande sociaal-democraten. Hij maakte er samenkomsten van de SPD mee, waar sociaal-democratische leiders als Bebel en Liebknecht spraken. Hoewel hij veel sympathie voelde voor de sociaal-democratie, ging hij niet zover lid te worden van de SPD, zoals zijn broer. Zich binden aan enige partijpolitieke richting deed hij niet. Ongebonden denken in politiek, maatschappelijk en religieus opzicht had zijn voorkeur. Later in zijn leven, sloot Ernst Jäckh zich aan bij de vrijmetselaarsbeweging.[19]

Na zijn studie ging Ernst Jäckh in de journalistiek. Als correspondent van de Neckarzeitung in Stuttgart trok hij de aandacht van de uitgever van dit blad, Victor Krämer. In 1902 werd hij hoofdredacteur van deze krant in Heilbronn. De Neckarzeitung was tot dan toe een niet partijgebonden, lokaal georiënteerde krant geweest. Onder het hoofdredacteurschap van Jäckh veranderde dit ingrijpend. Hij maakte van deze krant een links-liberaal blad dat zich naast regionaal nieuws ook op nationale en internationale ontwikkelingen richtte. Jäckh kreeg hiertoe van de uitgevers vader en zoon Krämer alle ruimte. Hij bouwde met hen een vertrouwensband op die ertoe leidde, dat zij zich met de inhoud van de krant volstrekt niet bemoeiden, zelfs niet wanneer daarin bericht werd over voor hen pijnlijke aangelegenheden.

Voor een deel kan deze vertrouwensband verklaard worden uit het succes dat Jäckh had, want zijn vernieuwingsdrang en organisatietalent legde de krant geen windeieren: de oplage steeg in die periode met meer dan duizend abonnementen per jaar, ondanks dat als reactie hierop andere partijen zoals Zentrum en SPD en politieke pressiegroepen zoals het Alldeutscher Verband eveneens aan hen gelieerde kranten gingen uitgeven.[20] Behalve dat het redacteurschap van Jäckh bijzonder goed uitpakte voor de Neckarzeitung, bood deze baan Ernst Jäckh ook veel kansen en mogelijkheden, met name om contacten te leggen en zijn blikveld te verruimen. In deze jaren leerde hij Friedrich Naumann kennen, die hem in contact bracht met zijn eigen linksliberale kring van politici en intellectuelen, maar daarnaast ook met tal van prominenten uit de landelijke politiek. In 1907 steunde Ernst Jäckh met succes de links-liberale verkiezingscampagne van Friedrich Naumann voor een zetel in de Rijksdag voor Heilbronn. Naumann won de verkiezing en zou tot 1913 dit mandaat behouden. Naumann had zich in deze jaren ontwikkeld tot een nationalist, die een enthousiast voorstander was van Weltpolitik. Enerzijds zag hij in Weltpolitik een geschikt breekijzer om het Duitsland van zijn dagen politiek en sociaal te hervormen. Anderzijds was hij ook overtuigd van de absolute noodzaak van Weltpolitik als zodanig.[21] Naumanns denken werd in deze periode in hoge mate bepaald door de overtuiging dat Weltpolitik economisch en strategisch een conditio sine qua non was voor Duitsland, wilde het als wereldmacht een rol van betekenis kunnen spelen. Grote invloed op Naumann had wat dit laatste betreft de zeer gezaghebbende socioloog en econoom Max Weber. Met hem bleef hij zijn leven lang nauw bevriend. Daarnaast valt op, dat ook in Naumanns denken sociaal-darwinistische opvattingen doorklinken. Hij interpreteerde de historische werkelijkheid in termen van strijd en overlevingsdrang. Treffend kwam dit tot uiting in de bijna wanhopige verzuchting van Friedrich Naumann: “Man muβ etwas, irgend etwas in der Welt erobern wollen um selbst etwas zu sein”[22]

De ontdekking van Turkije

Naumanns denkbeelden over Weltpolitik vindt men ook terug bij Ernst Jäckh. Dit wordt duidelijk zichtbaar, wanneer Ernst Jäckh over Turkije gaat publiceren vanaf zijn eerste reis naar dit land in 1908. Tot op dat moment had Ernst Jäckh geen bijzondere belangstelling gehad voor Turkije. Dat hij erheen ging in dat jaar was puur toeval. Na de vermoeiende verkiezingscampagne van 1907, maakte Ernst Jäckh tijdens zijn vakantie een boottocht door het Middellandse Zeegebied, die hem via Sicilië en Griekenland naar Klein-Azië bracht. Toen hij daar arriveerde, was juist de Jong-Turkse revolutie aan de gang, die Ernst Jäckh met grote belangstelling volgde. Friedrich Naumann, had de tijdelijke, Duitse ambassadeur in het Ottomaanse Rijk Alfred von Kiderlen-Wächter, een brief geschreven waarin hij hem attent maakte Ernst Jäckh.[23] Von Kiderlen-Wächter gaf hieraan gevolg en ontving Ernst Jäckh persoonlijk. Blijkbaar verliep dit eerste contact dusdanig positief, dat de ambassadeur hierover op 7 augustus 1908 in zijn dagboek noteerde:”Gestern stellte sich mir Hernn Jäckh vor, ein echter Schwab – Chefredakteur unserer Neckarzeitung. Ich habe ihn auf Mittwoch zum Frühstück eingeladen[24] Op 14 augustus 1908 schrijft hij in zijn dagboek:”Am Mittwoch war Herr Jäckh zum Frühstück…Es gab Spätzle, und ich sagte zu Jäckh ( ein sehr netter noch junger Mann von guten Manieren): das müβte ihn in Konstantinopel eigentlich noch mehr überraschen als die Revolution! Nach dem Frühstückh fuhren wir zusammen in die Stadt um uns von dem Lloydschiff aus, auf dem Jäckh wohnt, die Rückkehr des Marschalls Fuad-Pascha anzusehen”[25]

Von Kiderlen-Wächter bracht Ernst Jäckh in contact met de Jong-Turkse leiders. Met hen ontwikkelde hij nauwe betrekkingen, die zijn leven lang zouden voortduren.Het geheim van zijn vermogen om met hen goede relaties en zelfs vriendschapsbanden op te bouwen, lag volgens Ernst Jäckh in zijn begrip en respect voor het eigen karakter en de eigen tradities van Turkije. Dat riep vertrouwen en vriendschap op.[26] Wat hier zichtbaar wordt is het opmerkelijke vermogen van Ernst Jäckh om contacten te leggen en te onderhouden. Hij was een netwerker van formaat en zou dat zijn leven lang blijven.

De reis van 1908 was een openbaring voor Ernst Jäckh. Voor hem was dit de ‘ontdekking van Turkije’. In 1909 en 1910 ging hij er opnieuw heen en publiceerde daarover met groot enthousiasme in het jaarboek ‘Patria’ van Naumann, in Naumanns blad ‘Die Hilfe’, in zijn eigen krant de ‘Neckarzeitung’, het ‘Berliner Tageblatt’, de ‘Frankfurter Zeitung’ en tal van andere bladen.[27] Deze artikelen werden in 1911 gebundeld uitgegeven onder de titel ‘Der Aufsteigende Halbmond’. In dit boek probeerde Ernst Jäckh begrip te kweken voor Turkije en de Islam. Wat de Islam betreft voorzag hij “dass eine neue Welle muhammedanischer Grösse heraufkommt.”[28] Daarvoor begrip verwerven evenals voor de bijzondere economische en strategische positie van Turkije, zag hij als een noodzakelijke voorwaarde voor een succesvolle Oriëntpolitiek van Duitsland.

In het boek passeren vele aspecten van de Turkse maatschappij, politiek en geschiedenis de revue. Het is een vlot geschreven, gemakkelijk te lezen boek, waarin Ernst Jäckh een uiterst positief beeld schetst van Turkije. Tegelijkertijd is het ook een oppervlakkig boek. W.J. Mommsen heeft, wanneer hij Ernst Jäckh een oppervlakkig publicist noemt, gelijk. Ernst Jäckh was geen Islamoloog en had geen grondige kennis van taal en cultuur van het Midden-Oosten. Zijn belangstelling voor Turkije werd in hoge mate bepaald door de mogelijkheden die hij in Turkije zag voor een succesvolle Duitse Weltpolitik. Ernst Jäckh was voorstander van een pénétration pacifique. Hij wilde Turkije veilig stellen voor Duitsland als afzetmarkt en grondstoffenleverancier: “Deutschland will kein Territorium in und von der Türkei sich aneignen, und die Türkei weiβ das und vertraut darauf. Deutschland sucht die Türkei als einträglichen Industrieabsatzmarkt und als reiche Bodenproduktenquelle.”[29] Hierin klinken duidelijk zijn linksliberale door Max Weber en Friedrich Naumann geïnspireerde opvattingen door. Dit doel kon, vond Ernst Jäckh, het beste bereikt worden door de uitbouw van de Anatolische spoorweg richting Bagdad en Basra. Toch komen ook bij Ernst Jäckh onversneden geopolitieke en militair strategische overwegingen om de hoek kijken, wanneer hij schrijft: “Die deutsche Politiek eilt auf den Schienen der Lokomotive: wohin diese fährt, da bringt sie deutsche Waren, deutsche Stoffe, Waffen, Maschinen für den anatolischen Bauer, deutsche Ingenieure für die Bahnen und für die Bewässerung des Ackerlandes; und da kann sie auch aus dem anatolisch-syrisch-mesopotamischen Paradies, diesem fruchtbaren Drittel des osmainischen Reichs, Getreide Wolle und Baumwolle holen. Das mag einst die Emanzipation Deutschlands auf dem Landweg über Konstantinopel selbst für Kriegs- und Blokkadefälle bedeuten.”[30] In zijn conclusies aan het eind van het boek is hij daarin nog duidelijker. Ernst Jäckh stelt daar dat Duitsland een militair sterk Turkije moet bevorderen. Dat doet het door de hervorming van het Turkse leger. Een militair sterk Turkije voorkomt, dat Engeland zijn wereldrijk definitief vestigt door vanuit Egypte zijn macht uit te breiden over Arabië en Mesopotamië waardoor het ook de weg over land naar Indië in handen krijgt.[31] Zijn tweede conclusie is, dat Duitsland ook economisch de positie van Turkije moet versterken, want Duitsland heeft deze afzetmarkt en deze grondstoffenleverancier hard nodig. Tevreden constateert hij vervolgens, dat hij op zijn reis naar het Turkse rijk in 1909 heeft kunnen vaststellen, dat niet men niet alleen in Duitsland zich hiervan goed bewust is, maar ook in toenemende mate in Turkse militaire kringen. Voor Ernst Jäckh is dat een belangrijke stap voorwaarts.[32]

Positief spreekt Ernst Jäckh in ‘Der Aufsteigende Halbmond’ ook over de beroemde uitspraak van Wilhelm II tijdens zijn verblijf in Turkje in 1898, dat hij de vriend van driehonderdmiljoen mohammedanen wilde zijn: “Diese deutsch-türkische Linie greift zurück bis auf Friedrich den Groβen, der sich bereits um eine preuβisch-türkische Militärallianz bemüht hat, und sie führt über die Militärmission eines Moltke und über die Orientprophetie eines Friedrich List hinein ins neue Deutschland bis zu der Gegenwartsarbeit und Zukunftswirkung eines Generals von der Goltz und seiner Kameraden.”[33] Over de relatie Duitse keizer en Turkse sultan schrijft hij: “Diese politische Verbindung zwischen Kreuz und Halbmond im gleichen Felde entspricht der nüchternen Berechnung: einmal des deutschen Kaisers, der so ein grösseres Deutschland will – wirtschaftlich, und dann auch des Kalifen, der so eine kleinere Türkei vermeidet – politisch.”[34] In beide uitspraken van Ernst Jäckh steekt een element van realpolitiek denken. Duidelijk komt naar voren hoezeer Ernst Jäckhs kijk in deze jaren op Turkije bepaald werd door zijn enthousiasme voor Weltpolitik.

Ernst Jäckh zag Turkije door een gekleurde bril. Het was daarom lastig voor hem wat hij nu aan moest met de Armeense kwestie. In de jaren negentig van de negentiende eeuw en in 1909 hadden in Turkije massamoorden op deze bevolkingsgroep plaatsgevonden, die vele tienduizenden mensenlevens hadden geëist. In zijn enthousiasme voor Turkije en de Jong Turken wilde Ernst Jäckh in de massamoord van 1909 te Adana niet meer zien dan een actie van de Turkse Sultan gericht tegen de Jong-Turken en uitgevoerd door de Koerden over wie hij zich bijzonder negatief uitlaat. Hij schrijft ook, dat de massamoord als het ware werd uitgelokt door Engeland dat het Armeense nationalisme en het Armeense streven naar een eigen staat had aangewakkerd. “Das armenische Massaker war nichts anderes als eine politisch türkische Reaktion gegen eine ebenso politisch armenische Revolution,die infolge Englischer Umtriebe einen armenischen Staat herstellen wollte. Jenes armenische Massaker wurde ausgeführt – nicht vom türkischen Volke, sondern auf Befehl dieses Sultans von Kurden, diesen wilden Alpensöhnen des asiatischen Hochgebirges, diesen jahrhundertealten Erzfeinden und Nachbarschaftshassern des armenischen Stammes”[35] Vervolgens betoogde Ernst Jäckh, dat in de moordpartij te Adana ook de afkeer tot uitdrukking kwam tegen de stedelijke Armeniërs vanwege hun rol in de handel en het bankwezen. Hierna onderstreept hij, dat hij daarmee dit alles niet wil goedpraten, maar alleen de politiek psychologische achtergrond wil tonen van het gebeuren.[36]

De uitleg die Ernst Jäckh in zijn boek geeft over de Armeense kwestie heeft iets halfslachtigs. Hij maakt de indruk bijna krampachtig te willen voorkomen, dat deze massamoorden het glanzende beeld van het Turkije, zoals hij dat schetst, besmeuren. In zijn uitleg schuilt iets van ‘tout comprendre c’est tout pardonner’. Opmerkelijk is in dit verband een ooggetuigenverslag uit 1915, dat zich bevindt in het archief van het Duitse ministerie van buitenlandse zaken. Het stuk geeft een beeld van de gruwelijke deportatie van Armeniërs door de Turken in de zomer van 1915, maar er wordt ook in teruggekeken naar de massamoord in Adana van 1909. Het gaat om een brief die op 15 augustus 1915 verstuurd wordt aan Botschaftsrat Baron von Neurat, waarin een beeld gegeven wordt van de gevolgen van de massale deportatie van de Armeniërs in dat jaar. De niet bij name genoemde ooggetuige antwoordt op de vraag of hij bewijzen heeft voor de geschilderde misdaden tegen de Armeniërs:” ‘Haben Sie Beweise für das, was Sie mir sagen’ - fragte mich Graf von Schulenberg? – Schwerwiegendste indizienbeweise sicher; ich kenne Land und Leute gut, wohl besser als die in der deutschen Presse als ‘berufene Kenner der Türkei bezeichneten Dr. E. Jäckh und Genossen, der eine der Wahrheit widersprechende Abhandelung über Adanamassakres schrieb, der behauptete, ein Regiment anatolischen Rediefs sei besser als das erste Garderegiment zu Fuss. Dieser über unsere Garde gestellte Redief verübt jetzt Heldentaten und tötet Frauen und Kinder.”[37]

De houding van Ernst Jäckh tegenover de Armeense kwestie roept ook in de jaren hierna vragen op.

Ernst Jäckh als honorair ambassadeur

De enthousiaste publicaties van Ernst Jäckh over Turkije eerst in de pers en later in boekvorm werden in Duitsland met veel instemming gelezen. In 1913 publiceerde hij zijn boek ‘Deutschland im Orient nach dem Balkankrieg’. Hierin bepleitte hij dezelfde ideeën als in ‘Der Aufsteigende Halbmond. Samenwerking met Turkije primair op economisch gebied paste in Duitslands Weltpolitik en verschafte aan Turkije de mogelijkheid een halt toe te roepen aan het verval van het land.[38] Ernst Jäckh verwierf door deze publicaties in Duitsland de reputatie een kenner van het Midden-Oosten te zijn. Toen in 1910 Von Kiderlen-Wächter werd benoemd tot minister van buitenlandse zaken probeerde hij in verband met deze reputatie en ook omdat hij inmiddels bevriend was geraakt met Ernst Jäckh hem te interesseren voor een baan als topambtenaar bij zijn ministerie. Ernst Jäckh wilde echter zijn onafhankelijkheid als redacteur niet inruilen voor een bestaan als ambtenaar, hoe invloedrijk en aanzienlijk hij in die positie dan ook mocht zijn en wimpelde het aanbod van Von Kiderlen-Wächter af. In 1911 zette Von Kiderlen-Wächter zwaardere middelen in. Hij wist Wilhelm II ertoe over te halen nogmaals een beroep op Ernst Jäckh te doen om zijn kennis in dienst te stellen van het ministerie van buitenlandse zaken. Daartoe ontving Wilhelm II Ernst Jäckh op het keizerlijk jacht ‘De Hohenzollern in de zomer van 1911. Over het antwoord dat Ernst Jäckh op die vraag aan de keizer had gegeven, schreef hij aan Von Kiderlen-Wächter: “Dann kam das was Sie eingeleitet hatten: Wiederholung Ihres Wunsches, ich solle in das Auswärtige Amt mich berufen lassen. Meine Antwort und meine Begründung war die gleiche die, ich Ihnen schon gegeben hatte: in Freundschaft mit Ihnen zusammenarbeiten zu wollen, aber auch in Freiheit ohne durch die Bindungen eines Beamten belastet zu sein. Ich kann einen Beruf annehmen noch ausüben, den ich nicht als ‘Berufung’ empfinden muβ; ich kann das ‘Meinige’ nur tun in aller Unabhängigkeit des Geistes aus eigenem Antrieb und in eigener Verantwordtung. Ich hatte den Eindruck, daβ auch der Kaiser dies verstand”[39]

Von Kiderlen-Wächter legde zich hier vervolgens bij neer en vroeg Ernst Jäckh, nu de zaken zo lagen, als vrij burger hand en spandiensten te verlenen voor het ministerie van buitenlandse zaken. Vanaf dat moment ontstaat de merkwaardige positie die Ernst Jäckh zal innemen en die hij zelf omschrijft als Zivil-Botschafter, een soort honorair ambassadeur. In die hoedanigheid voerde Ernst Jäckh jarenlang diverse missies uit voor het ministerie van buitenlandse zaken, eerst onder Von Kiderlen-Wächter, maar na diens overlijden in 1912 ook onder zijn opvolger Von Jagow.

Ernst Jäckh had in hetzelfde jaar het hoofdredacteurschap van de Neckar-Zeitung neergelegd en was zakelijk leider van de Deutsche Werkbund te Berlijn geworden. De Deutsche Werkbund, was in 1908 opgericht door de architect Hermann Muthesius. Het was een samenwerkingsverband van kunstenaars, industriëlen,politici en intellectuelen, die kunst, architectuur en vormgeving wilden afstemmen op de moderne industriële productie van goederen en op de moderne bouwtechnieken. De Werkbund was een uiting van verzet tegen de op het verleden gerichte kunst van de neostijlen en zocht naar een eigentijdse identiteit en functie voor de kunst.[40] Hoewel de Werkbund buitengewoon vruchtbaar was als broedplaats van nieuwe kunstvormen, dreigde deze aanvankelijk ten onder te gaan aan de interne richtingenstrijd. In 1912 werd daarom door de fabrikant Peter Bruckmann uit Heilbronn Ernst Jäckh voorgedragen als zakelijk leider van de Werkbund. Theodor Heuss schrijft hierover: “Ein besserer Griff war schwer auszudenken. Er war in den sachfragen, um die theoretisch gestritten wurde,völlig kenntnislos, das heisst ganz unbefangen in den langsam beginnenden Richtungstreiten. Dinge wie Möbelkonstruktion, Glasschliff, Tapetenmuster, Stadtanlage, Schriftlettern, Handweberei und so fort waren ihm gänzlich fremd oder doch gleichgültig; aber er war ein Genie der Menschenbehandlung, und er hielt in einer nicht quälerischen Pedanterie, auf Mass. Über zwanzig Jahre hat er, neben vielen anderen Dingen, die sein so bewegliches Talent anpackte, in Ordnung brachte, oder hielt, die innere Kontinuïtät der Werkbundarbeit gesichert.”[41]

Wat de diplomatiek missies precies inhielden, die Ernst Jäckh naar eigen zeggen als onbetaald diplomaat naast zijn gewone werk uitvoerde, is niet duidelijk. Ook is niet duidelijk hoe zij gefinancierd werden. Volgens Ernst Jäckh waren deze missies talrijk en brachten zij hem voor en tijdens de eerste wereldoorlog naar vele Europese landen, maar het meest nog naar Turkije. Voor de eerste wereldoorlog hadden Ernst Jäckhs reizen naar Turkije in opdracht van het ministerie primair tot doel de weg vrij te maken voor een militair bondgenootschap tussen Duitsland en Turkije[42] Als niet ambtelijk gebonden diplomaat kon hij informeler opereren en gebruik maken van zijn persoonlijke relaties in Turkije. Hij zag het als zijn taak:”ein trait d’union zu sein zwischen widerstreitenden Interessen, zum Ausgleich fremder Mentalitäten, zur Vermittlung zwischen verschiedenen Aspekten.”[43] Beide regeringen maakten daar volgens Ernst Jäckh veelvuldig gebruik van: “Beide Regierungen apellierten an mich – in Konstantinopel um meine Mitwirkung in Berlin zur verständlichmachung des Unmöglichen in manchen deutschen Vorschlägen; und in Berlin um meine Mitwirkung in Konstantinopel zur Verständlichmachung des Notwendigen in der deutsch-türkischen Gemeinschaft; beide um Zusammenwirken gegen nationalistische forderungen und Gefahren.”[44]

Op 2 augustus 1914 kwam het militaire bondgenootschap tussen Duitsland en Turkije tot stand. Volgens Ernst Jäckh werd zijn bijdrage daaraan door velen als cruciaal gezien. Als bewijs hiervoor citeert hij brieven van Friedrich Naumann en Theodor Heuss.[45] Interessant

Is de reactie van Ernst Jäckh op de felicitatie door de Zwitserse hoogleraar von Schulze-Gävernitz. Deze noemt het bondgenootschap een ‘Welthistorisches Ereignis’en prijst Ernst Jäckhs inzet daarvoor als ‘geschichtliches Verdienst’ Het is een van de weinige momenten in Jäckhs memoires waarop hij blijk geeft van enige zelfkritiek en twijfel over het eigen handelen: “’Geschichtliches Verdienst?’ So klang und schien es zu Beginn des Krieges: ein ‘Verdienst’, das am Ende des Krieges den Verlust meines einzigen Sohnes verschulden sollte- dadurch daβ dieses Bündnis den Krieg um jene drei Jahre verlängerte, die 1918 den Achtzehnjährigen noch an die Front schickten – unmittelbar vor Kriegsende, für einen einzigen Tag und eine einzige Nacht die seine letzte wurde”[46] Het is tekenend voor het op zijn eigen persoon betrokken karakter van Ernst Jäckhs memoires, dat hij in nagenoeg de enige passage in zijn autobiografie, waarin van oprechte twijfel sprake is geen relatie legt tussen de tragische, vergeefse dood van zijn zoon en die van de talloze andere soldaten die als gevolg van de langer durende oorlog eveneens tevergeefs sneuvelden. Pas wanneer hij schrijft over zijn werk voor de Deutsche Hochschule für Politik na de eerste wereldoorlog legt hij dit verband wel. Hoe dat ook zij, duidelijk wordt ook, dat Ernst Jäckh in de loop van de oorlog begon te twijfelen aan de zin en het doel ervan.

Dit was zeker nog niet het geval in augustus 1914. In een uitvoerig memorandum voor het ministerie van buitenlandse zaken schetst hij de betekenis van de deelname van Turkije aan de oorlog en wat Duitsland te doen staat om deze deelname tot een succes te maken. Ernst Jäckhs benadering van Turkije is nu puur militair-strategisch. Turkije zal vooralsnog niet veel meer kunnen bieden dan haar geografisch strategische positie: daarbij gaat het in de eerste plaats om Bosporus en Dardanellen, maar ook om de Kaukasus, Perzische Golf en het Suezkanaal. Turkije zal voorlopig alleen Russische, Franse en Engelse troepen kunnen binden, waardoor de druk op de Duitse fronten verminderd kan worden. De belangrijkste bijdrage van Turkije op de korte termijn is de sluiting van de Dardanellen, waardoor het Rusland kan isoleren van zijn bondgenoten. Wanneer de Dardanellen voor Rusland gesloten blijven, kunnen de geallieerden Bulgarije, Roemenië en Griekenland dwingen deel te nemen aan de strijd tegen de onbeschermde zuidflank van de Donau Monarchie.

Wat Duitsland volgens Jäckhs moet doen is financiële en organisatorische steun geven aan Turkije zodat dit zijn verbindingen, met name de railverbindingen in orde kan maken. Het gaat dan om de railverbindingen met Centraal Europa en die tussen Anatolië en Mesopotamië door de Taurustunnel en die tussen Anatolië en Syrië door de Amanustunnel. Zijn conclusie is, dat wanneer de railverbindingen niet in orde komen, Turkije niet in staat zal zijn slag te leveren met Engeland in het zuidoostelijke oorlogsgebied.[47]

Dit memorandum kwam onder ogen van Helmuth von Moltke, die tot 14 september 1914 chef van de generale staf was geweest. Von Moltke vond het een uiterst belangrijk stuk en verzocht Ernst Jäckh het onder de aandacht te brengen van de keizer en de nieuwe chef van de generale staf Von Falkenhayn. Over zijn onderhoud met de keizer en met Von Falkenhayn berichtte Ernst Jäckh uitvoerig in een brief van 2 februari 1915 aan de Duitse bevelhebber in Turkije generaal Von der Goltz. Uit de brief wordt duidelijk, dat Ernst Jäckh niet weinig trots was op zijn bezoek aan de keizer, omdat hij hem had durven tegenspreken. Wilhelm kon zich desondanks goed vinden in de ideeën van zijn memorandum en de betekenis van een Turks front, maar volgens de keizer had hij zich te voegen naar de opvattingen van Von Falkenhayn, die het nut van een dergelijk front niet inzag. Bij Von Falkenhayn lag namelijk de beslissingsbevoegdheid over het al dan niet beschikbaar stellen van extra financiële middelen om de bouw van de tunnels en de aanleg van de spoorwegen te versnellen. Wilhelm toonde zich bereid voor Ernst Jäckh een onderhoud te regelen met Von Falkenhayn. Deze liet zich echter niet overtuigen door Ernst Jäckh, omdat hij ervan overtuigd was, dat de militaire beslissing in het westen zou vallen. Op zijn vraag aan Ernst Jäckh hoeveel tijd het zou vergen om de bewuste spoorlijnen in Turkije aan te leggen, antwoordde Ernst Jäckh, dat dit nog anderhalf jaar in beslag zou nemen. Von Falkenhayns reactie daarop was: “Der Krieg muβ und wird vorher zu Ende sein und wird hier im Westen bei Calais entschieden werden.”[48]

Belangrijk voor Ernst Jäckh in zijn rol als honorair-ambassadeur was zijn contact met de Duitse marine-attaché in Turkije: Hans Humann. In het persoonlijke archief van Ernst Jäckh bevinden zich tientallen brieven en rapporten van hem aan Ernst Jäckh.[49] Hans Humann had veel invloed in Turkije, omdat hij nauw bevriend was met een van de leden van het Jong-Turkse triumviraat, dat het land regeerde: Enver Pasha. Hans Humann kende Enver al vanaf zijn kindertijd. Hij had een groot deel van zijn jeugd in Turkije doorgebracht, omdat zijn vader de archeoloog Karl Humann daar voor onderzoek werkzaam was. Toen Enver later voor Turkije militair attaché werd in Berlijn, werd hij door de familie Humann met open armen ontvangen. In die periode werkte Hans Humann nog voor de militaire inlichtingendienst van admiraal von Tirpitz. Zoals zovelen in militaire kringen hing hij het gedachtengoed van het Alldeutscher Verband aan en was hij een warm voorstander van de vlootbouwplannen van von Tirpiz. Later keerde Hans Humann zich volgens Ernst Jäckh af van de Alldeutsche opvattingen. Hij ontwikkelde zich tot een ruimdenkend man, die open stond voor de eigen positie, belangen en aspiraties van het Turkije van de Jong-Turken. Toen Enver lid werd van het Turkse triumviraat werd Hans Humann vanwege zijn goede betrekkingen met hem overgeplaatst naar Constantinopel waar hij marine-attaché werd. Ernst Jäckh karakteriseert hem als de officieuze Duitse gezant, die een stabiele factor vormde in de betrekkingen met Turkije, ongeacht of de officiële Duitse ambassadeur nu positief stond tegenover Turkije zoals Baron Wangenheim of negatief zoals Graaf Metternich.[50]

Uit de brieven van Hans Humann blijkt, dat hij zich ergerde aan het lompe optreden tijdens de oorlog van Duitse officieren in Turkije, die geen enkel idee hadden van de achtergronden van het land waar zij gestationeerd waren en die daardoor voor veel irritatie zorgden bij de Turkse autoriteiten. Zo schrijft hij Ernst Jäckh op 18-10-1915: “Unter den Offizieren sind leider nicht durchweg taktvolle Leute, sie haben meist gar keine Auslandserfahrung und wenig Verständnis für den Verkehr mit Leuten einer anderen Nation. Wenn sie in Gegenwart der Türken laut über die Türkei schimpfen und über eine bevorstehende Teilung Österreichs reden oder räsonnieren, daβ der Kaiser sie nicht haben wolle und sie dafür in diesem Lauseland sitzen müβten, so scheint mir das nicht sehr glücklich.”[51] Een maand daarvoor schrijft hij aan Ernst Jäckh dat de opperofficieren van het Duitse hoofdkwartier in Turkije naar de Turkse autoriteiten toe voor veel verwarring zorgden, omdat zij onderling hun bevoegdheden niet goed afbakenden en slechts gedreven werden door afgunst en eerzucht.[52]

Ook wanneer de Duitse regering de diplomatieke betrekkingen met Turkije in gevaar brengt, schrijft Hans Humann daarover aan Ernst Jäckh, bij voorbeeld op 15 november 1915. In deze brief toont Hans Humann zich zeer bezorgd over de terughoudende opstelling van Duitsland tegenover de opheffing van de capitulatieregelingen: de regelingen waarbij aan bepaalde mogendheden binnen Turkije extra-territoriale rechten werden toegekend. “Ich habe in den 48 Stunden meines hiesigen Aufenthalts noch keine Zeit gefunden, mich mit den türkischen Freunden über die z.Zt. brennenden Fragen, richtiger Frage, eingehend zu unterhalten. Aber auch ohne dieses merkt man, daβ wir am Vorabend einer Krisis stehen: Die ‘Kapitulationsfrage und ihr jetziger Schlüssel- und Knotenpunkt: die Anstaltsfrage”[53]

Op 10 maart 1916 schrijft Hans Humann gealarmeerd aan Ernst Jäckh: ”Ein neuer Konflikt ist seit wenigen Tagen entstanden: Berlin verweigert – im Gegensatz zu seiner früheren Haltung – eine Anerkennung der vollen Aufhebung der Kapitulationen und schlägt sozusagen ein Kapitulationsprovisorium vor. Sie werden verstehen daβ für die leitenden türkischen Staatsmänner diese Nachricht niederschmetternder wirkt als etwa der Fall von Bagdad oder der Verlust Armeniens oder sonst etwas…..Alle schwierigkeiten dieses Krieges konnten stets mit dem Ideal dieses Befreiungskrieges gebannt werden : der Verlust von Ägypten oder Armeniën, die ungeheuren Menschenopfer, Hungersnot und Krankheiten. Nimmt man ihnen dieses letzte, einzige, dann kann vielleicht das Ententegespennst des Sonderfriedens über Nacht zur Wirklichkeit werden.”[54] Naar aanleiding van dit soort berichten intervenieerde Ernst Jäckh van tijd tot tijd bij de eigen Duitse regering en trad in zijn rol als honorair-ambassadeur op als bemiddelaar tussen Turkije en Duitsland. Zo ook in dit geval. Nog dezefde dag stuurde Ernst Jäckh aan de Duitse minister van buitenlandse zaken Arthur Zimmermann een telegram, waarin hij laat weten:”Groβwesir Talaat bittet dringend an Sie Selbst über Vorschläge zu telegraphieren. Ich erfülle diese Pflicht nach Besprechungen auch mit Auβenminister Halil, Botschafter und Botschaftsrat, und bestätige, daβ deutsche Kapitulationsvorschläge für türkische Kabinett gefahrvoll scheinen…”[55] Van de kanselier ontving Ernst Jäckh hierna bericht, dat van Duitse zijde meegewerkt zou worden aan een versneld afschaffen van de capitulaties.[56]

Ernst Jäckh en het Alldeutscher Verband

In zijn memoires en in zijn latere publicaties benadrukt Ernst Jäckh sterk zijn afstand tot het Alldeutscher Verband voor en in de eerste wereldoorlog.

In ‘The Rising Crescent‘ schrijft hij in 1944 dat zijn opvattingen over Turkije en de Bagdadspoorweg altijd al tegenover die van het Alldeutscher Verband hebben gestaan. Hij zegt dan: “In fact, as early as 1908 and 1912, and again in 1916, I had publicly advocated that the Near Eastern nations “be the builders of their own states and live as independent states instead of being used as mortars in the edifice of any foreign power to become protectorates of any alien imperialism.”[57]

Volgens Ernst Jäckh waren het niet zijn ideeën over Turkije, maar die van het Alldeutscher Verband die het Duitse militaire en diplomatieke beleid aangaande Turkije beheersten. Mijns inziens lag dit genuanceerder, dan Ernst Jäckh het doet voorkomen. De denkbeelden van Ernst Jäckh over Turkije aan het begin van de oorlog en de alldeutsche militaire en diplomatieke opvattingen met betrekking tot Turkije liepen in elkaar over. In de periode dat Ernst Jäckh The ‘Rising Crescent’ schreef, was hij in de VS geconfronteerd met de opvatting, dat er geen wezenlijk verschil was tussen het Wilhelminische imperialisme en Hitlers’expansiedrift. Voor hem was dit een pijnlijk gegeven in verband met zijn eigen positieve opstelling, hoe liberaal of gematigd ook, tegenover het Wilhelminische imperialisme. Hem was er daarom veel aan gelegen zijn afstand tegenover het Alldeutsche gedachtegoed te onderstrepen.[58] Iedere relatie tussen zijn denkbeelden voor de eerste wereldoorlog en die van het Alldeutscher Verband, al was het alleen maar een raakvlak of een gedeeld voorstander zijn van Weltpolitik, werd daarom door Ernst Jäckh ontkend. In ‘The Rising Crescent’ en in zijn memoires kleurt Ernst Jäckh dan ook zijn eigen liberaal-imperialistische verleden van voor de eerste wereldoorlog bij in een voor hem gunstige zin.

Volgens Ernst Jäckh zagen de overwegend alldeutsch gezinde militairen in tegenstelling tot hem Turkije niet als een onafhankelijke, souvereine en gelijkwaardige partner in een bondgenootschap met Duitsland. Turkije was in Alldeutsche ogen niet veel meer dan een Duits opmarsgebied naar Egypte en India. Het was slechts een basis voor militaire operaties.[59] Die visie blijkt volgens Ernst Jäckh ook uit een telegram van de Duitse opperbevelhebber Von Falkenhayn van 2 februari 1915 aan de Turkse generale staf. Daarin wordt op barse toon aangegeven wat het Duitse opperbevel van Turkije verwacht: offensieven richting Egypte en Perzië. Met alle middelen moet geprobeerd worden de militaire druk op het Suezkanaal op te voeren met als mogelijke resultaten het uitbreken van islamitische opstanden tegen de Engelse kolonisator in Sudan en Afghanistan. Maar met uitzondering van dit laatste punt week dit telegram inhoudelijk in feite niet zo heel veel af van wat Ernst Jäckh geschreven had in zijn memorandum van augustus 1914 voor het ministerie van buitenlandse zaken. Ook in ‘Der Aufsteigende Halbmond’ en in ‘Deutschland im Orient nach dem Balkankrieg’ spelen vergelijkbare militair strategische overwegingen op de achtergrond steeds mee.

Wat de islam als wapen tegen de Entente betreft: in The Rising Crescent uit 1944 verhaalt Ernst Jäckh, dat hij zich in de eerste wereldoorlog bijzonder stoorde aan de geheime activiteiten van Max von Oppenheim. Von Oppenheim was een diplomaat die een groot deel van zijn leven in het Midden-Oosten had doorgebracht en die twee maanden na het uitbreken van de oorlog voor het ministerie van buitenlandse zaken een strikt geheim rapport schreef over de mogelijkheden om in het Midden-Oosten een algehele Jihad gericht tegen Engeland te ontketenen. Wilhelm II in hoogst eigen persoon keurde dit plan goed en Max von Oppenheim kreeg de ruimte om binnen het ministerie van buitenlandse zaken met oog op dit doel een inlichtingenbureau voor het Midden-Oosten op te richten. Er zijn gedurende de oorlog daadwerkelijk diverse geheim missies uitgevoerd die tot doel hadden Von Oppenheims plannen te realiseren. Ernst Jäckh noemt in dit verband missies in Afghanistan en Iran.[60]

Opmerkelijk is echter, dat dit uiterst geheime rapport van Von Oppenheim, zich integraal bevindt in het archief van Ernst Jäckh.[61] Over dit rapport wordt in een recent artikel van W.G. Schwanitz geschreven: “Seine 136 Seiten waren streng geheim und sind noch heute wenig bekannt.”[62] Het kan haast niet anders of Ernst Jäckh heeft dit rapport zelf van het ministerie ontvangen, wat betekent dat hij door het ministerie van buitenlandse zaken op de hoogte werd gehouden van de geheime plannen van Von Oppenheim. Het is onwaarschijnlijk dat dit gebeurd zou zijn als Ernst Jäckh toen al als notoir tegenstander daarvan bekend had gestaan.

In het artikel van W.G. Schwanitz wordt bovendien Von Oppenheim opgevoerd als iemand die alleen maar had opgeschreven: “was viele im jungen Türkenfieber hofften. Dies zeigte Oppenheims zeit und Gesinnungsgenosse Ernst Jäckh. Der Professor und Türkeiexperte schrieb in seinem Buch ‘Aufgehender Halbmond’ Anfang November 1914, knapp eine Woche vor dem Kriegseintritt der Türkei ‘Wer in diesen Tagen in Konstantinopel in die Räume des Generalissimus Enver Pascha hineinblicken konnte, der konnte dort die Abgesandten der fernsten und wildesten Stämme aus Afrika und Asien sehen, freudig bereit zum Schwur auf das Schwert des Kalifen, das gegen Ruβland, gegen England und gegen Frankreich ausholt für Deutschland; der muβte aber auch über die Weltreichende organisation staunen, die den Islam bereits belebt und stärkt.”[63]

Dat Ernst Jäckh een Gesinnungsgenosse was van Von Oppenheim lijkt mij niet juist, maar dat hij hier wordt opgevoerd als een van degenen die een politiek klimaat creëerden, waarin dit soort ideeën konden ontstaan, lijkt mij terecht. Mijns inziens heeft Ernst Jäckh in zijn memoires en in zijn latere publicaties zijn eigen bijdrage aan en medeverantwoordelijkheid voor het Wilhelminische imperialisme niet onder ogen willen zien. Hij geeft daar van zijn verleden een fraaier beeld, dan het in werkelijkheid was. Overigens was Max von Oppenheim niet de enige die speelde met de gedachte de Jihad als strijdmiddel tegen de Entente in te zetten. Ook de islamaloog C.H. Becker was daar een voorstander van. Hij voerde daarover een heftige pennenstrijd met zijn Nederlandse collega C. Snouck Hurgronje.[64]

Ernst Jäckh en de Armeense kwestie in 1915

In 1915 gaf de Jong-Turkse regering opdracht tot de deportatie van de Armeense bewoners uit de oostelijke streken van Turkije. De reden voor dit besluit van de regering was, dat de Armeense bevolking geacht werd niet loyaal te zijn in de oorlog van Turkije tegen Rusland. De Armeens bevolking werd onder de meest erbarmelijke omstandigheden verdreven naar woestijngebieden, die voor menselijke bewoning ongeschikt waren. De schattingen over het aantal slachtoffers lopen uiteen van 200.000 à 300.000 volgens Turkse bronnen tot anderhalf miljoen volgens Armeense historici.[65] De berichten over deze deportatie drongen ook in Duitsland door en riepen daar van diverse zijden verontruste reacties op. Opvallend is, dat Ernst Jäckh aan dit drama in zijn memoires op een enkele voetnoot na geen aandacht besteedt. Wel gaat hij er kort op in in zijn boek ‘The Rising Crescent’. Hij vertelt daar dat hij met succes bij de grootvizier Talaat Pasha intervenieerde ten behoeve van enkele honderden Armeense families in Konya, die eveneens als gevolg van het bevel van de regering deze stad moesten verlaten. Kon Ernst Jäckh over de massamoord in Adana van 1909 nog wijzen naar de Turkse sultan, nu lag de schuld overduidelijk bij het door Ernst Jäckh zo bewonderde Jong-Turkse Triumviraat. Opvallend is dat hij noch in zijn memoires, noch in ‘The Rising Crescent’ blijk geeft van enige wezenlijk kritiek op het Turkse Triumviraat vanwege deze misdadige verdrijvingspolitiek. Kennelijk kon of wilde Ernst Jäckh wellicht vanwege zijn eigen opstelling in deze zaak in 1915, zelfs in 1944 en in de jaren vijftig nog niet onder ogen zien dat hier sprake was een ernstige smet op het Jong-Turkse blazoen. Nergens vraagt hij zich af of zijn zwijgen daarover destijds niet op zijn minst discutabel was. Dat Ernst Jäckh wel degelijk goed op de hoogte was van wat er gebeurde met de Armeense bevolkingsgroep in 1915, blijkt uit de rapporten hierover die zich in zijn persoonlijke archief bevinden.[66] Daaronder zijn ook enkele brieven van zijn vriend, de publicist Paul Rohrbach. Deze schreef hem op 8 november 1915 naar aanleiding van de deportatie van de Armeense bevolking: “” Nur eins bringe ich nicht übers Herz: Dich ungewarnt auf einem Weg zu sehen, von dem mir geschichtlich und religionspolitisch begründetes Urteil sagt, daβ er uns in groβe Gefahren hineinführt. Du weiβt, ich war immer etwas zurückhaltender in der türkischen Sache als Du. Jetzt haben mir die Armeniermassakers und die Rede des Thronfolgers Jussuf Jzzaddin an die syrischen Notabeln die Augen geöffnet: Wir dürfen uns den Türken nicht öffentlich und unwiderruflich als brüder und Seelenfreunde verschreiben! Nimm es mir nicht übel, aber freundschaft und Gewissen haben mich gezwungen zu schreiben”.[67] Ruim een half jaar later uit Paul Rohrbach zich in een brief aan Ernst Jäckh in nog scherpere bewoordingen over de deportatie van de Armeniërs:”Wenn die armenischen Dinge öffentlich bekannt werden, so gibt es überhaupt keine Möglichkeit mehr, sich Seite an Seite mit den Türken zu zeigen, es sei denn, die Türken sind vorher zu Buβe und Genugtuung gezwungen worden. Ich wenigstens werde mit aller meiner Kraft dafür eintreten und sollte der tag kommen, wo ich die Unmöglichkeit einsehe, etwas derartiges zu erreichen, so werde ich die dann für mich einzig mögliche Folgerung ziehen und aufhören, Deutscher im politischen Sinne zu sein. Für ein vaterland, das diese entsetzlichen Greuel erträgt, werde ich auch dann noch nicht aufhören zu arbeiten, aber vor der Welt angehören könnte ich ihm nicht mehr. Ich weiβ, daβ Du meinen Standpunkt obkektiv miβbilligst, aber Du wirst ihn subjektiv verstehen.[68]

Het einde van de eerste wereldoorlog en de Republiek van Weimar

Ernst Jäckh ontplooide in de eerste wereldoorlog naast zijn werk voor de Deutsche Werkbund en zijn diplomatieke werkzaamheden, ook zeer veel activiteiten als uitgever en redacteur van bladen als ‘Das gröβere Deutschland’ en ‘Deutsche Politik’. Daarnaast gaf hij ook een omvangrijke reeks publicaties uit onder de titel ‘Politische Flugschriften’. Maar het enthousiasme, dat daarin tot uitdrukking kwam voor Duitslands strijd om zijn bestaan in de eerste wereldoorlog, maakte gaandeweg plaats voor twijfel. Aan het eind van de oorlog behoorde hij tot degenen die een vrede zonder annexaties wilden. Op 11 februari 1918 ondertekende hij met een groep politici van democratische signatuur onder wie Fr. Naumann, Max Weber, en sociaaldemocratische vakbondsleiders een memorandum gericht aan de toenmalige opperbevelhebber generaal Ludendorff. In dit memorandum spraken zij zich uit tegen nieuwe offensieven en voor onderhandelingen over een vrede zonder annexaties en het herstel van België. Ludendorf wees dit evenwel af.[69]

De oorlog sleepte zich nog voort tot in het najaar van 1918 en trof Ernst Jäckh persoonlijk doordat zijn enige zoon, die aan het eind van de oorlog nog moest opkomen, in de laatste dagen van de oorlog gedood werd in Frankrijk. Ernst Jäckh schrijft hierover een aangrijpend hoofdstuk in deel 1 van zijn memoires ‘Der goldene Pflug’. In feite is dit het enige deel van zijn memoires, waarin de pedante, belerende en zelfgenoegzame toon achterwege blijft en de persoon van Ernst Jäckh meer menselijke proporties krijgt. Ik heb de indruk, dat deze gebeurtenis een keerpunt in zijn leven is geweest. Bij alle twijfel die bij hem gegroeid was in de loop van de oorlog over de zin daarvan en over wat er terecht gekomen was van zijn liberaal-imperialistische denkbeelden, voegde zich het verdriet en de twijfel over de zinloze dood van zijn zoon. Het dwong hem na de oorlog tot nadenken over de vraag hoe in de toekomst een herhaling daarvan voorkomen kon worden.

Van Ernst Jäckhs liberaal-imperialisme was na 1918 niet veel meer over. In de jaren die nu volgden richtte hij zich vooral op zijn werk voor de Deutsche Hochschule für Politik, die hij in 1920 oprichtte met andere democratisch gezinde intellectuelen zoals Theodor Heuss en de islamoloog Carl Heinrich Becker, aanknopend bij de ideeën van Friedrich Naumann. Tot 1933 bleef Ernst Jäckh directeur van deze opleiding, die tot doel had Duitsland en daarmee ook Europa geestelijk weer op te bouwen na de morele en materiële catastrofe van de eerste wereldoorlog: “damit die Toten dieses Krieges nicht umsonst geopfert worden sind.”[70] Ernst Jäckh was nu een warm voorstander van de Weimarrepubliek, waarin hij de belichaming zag van een nieuw en democratisch Duitsland, dat een eervolle plaats onder de naties zou kunnen innemen. Daarbij paste ook zijn waardering voor de Volkerenbond en zijn streven om Duitsland daarvan lid te laten worden. Hij maakte in de jaren twintig en dertig vele reizen met name naar Engeland en de Verenigde Staten om dit nieuwe Duitsland te tonen en te promoten. Hij hoopte hiermee ook een proces op gang te brengen, dat ertoe zou leiden, dat het Verdrag van Versailles, waarvan hij een overtuigd tegenstander was, zou worden herzien.Turkije trad in deze periode in zijn aandacht terug.

Londen 1933-1939

Daarin kwam pas weer verandering toen Ernst Jäckh in 1933 geen toekomst meer zag voor de Deutsche Hochschule für Politik, nadat Hitler de macht gegrepen had,. Toen hij in dat jaar uitgenodigd werd door Lord Davis om internationaal directeur te worden van de New Commonwealth Society te Londen, nam hij dit verzoek met beide handen aan. Ernst Jäckh kende Lord Davis goed van bijeenkomsten van de Volkerenbond, waar hij hem meermaals ontmoet had. In 1932 had Lord Davis de New Commonwealth Society opgericht als reactie op het gebrekkig functioneren van de Volkerenbond. Het doel van de New Commonwealth Society was uit te groeien tot een wereldbeweging, die internationale samenwerking, gerechtigheid en vrede zou gaan bevorderen. Vanwege deze functie, zijn vroegere reizen naar Engeland en zijn publicaties over het nieuwe Duitsland was Ernst Jäckh geen onbekende in Engeland. Desondanks verbaast het om te zien hoe snel hij weer een omvangrijk netwerk wist op te bouwen, nadat hij zich in Londen had gevestigd. Via dit netwerk kwam Ernst Jäckh in contact met het Britse ministerie van buitenlandse zaken. Daaruit ontwikkelde zich een min of meer gelijke, honoraire functie als hij ook in Duitsland had bekleedvoor het ministerie van buitenlandse zaken. Op verzoek van het Foreign Office voerde Ernst Jäckh vanaf 1935 onbetaald en op persoonlijke titel verkennende missies uit o.a. naar Turkije. De opdracht die hij daarbij had, was de Turkse regering duidelijk te maken, dat terwijl in 1914 het gevaar voor Turkije uit Rusland dreigde, nu dit gevaar vanuit Duitsland kwam[71]

In deel 2 van zijn memoires ‘Weltsaat’ verhaalt Ernst Jäckh uitvoerig van zijn bezoek in 1937 aan Turkije. Het is een van de meest merkwaardige passages uit zijn memoires, want terwijl Turkije een politiek van strikte neutraliteit navolgde, trof Ernst Jäckh naar zijn zeggen een land aan, dat zich volledig bewust was van het gevaar dat dreigde van Nazi-Duitsland en dat zich realiseerde, dat het in een komend conflict een zeemacht als bondgenoot nodig had. Dit bewustzijn had Turkije volgens Ernst Jäckh te danken aan Kemal Atatürk. Deze had al in 1915 op het moment van de Turkse overwinning bij de Dardanellen ingezien, dat Duitsland en Turkije uiteindelijk niet konden winnen van de zeemacht Engeland. Ernst Jäckh kende Kemal Atatürk al sinds1908 en zijn bewondering voor hem was bijna grenzeloos. Uitgebreid gaat hij in op zijn contacten met hem en hij schildert hem daarbij af als een geniaal staatsman. Ernst Jäckh rekende hem tot de drie grootste Europese staatsleiders van de twintigste eeuw.[72] Hoewel Kemal Atatürk in 1938 overleed, handelden zijn opvolgers volgens Ernst Jäckh in zijn geest, door op 19 oktober 1939 een bondgenootschap te sluiten met Engeland, Frankrijk en Turkije. Ernst Jäckh presenteert het tot stand komen van dit verdrag als een herhaling van de gebeurtenissen uit 1914: net als toen had hij zich ook nu weer ingezet voor een bondgenootschap met Turkije vanwege zijn strategische belang en net als toen kwam dit bondgenootschap ook nu aan het begin van de oorlog tot stand. Alleen de partners waren andere: toen Duitsland, nu Engeland.

Ernst Jäckh schrijft hierover:”I ( E.J. ) was impressed by a remark made by the Turkish ambassador: ‘It’s very interesting we three people had once something to do with bringing about a Turkish-German understanding and association. Now, here we are in London celebrating the Turkish-British alliance and the understanding between these two peoples. Actually our points of view have not changed essentially nor have our conceptions of European geography as it effects policy. On the contrary we have been fairly consistent throughout these years. Both alliances the old and the new, have meant for us the defense of freedom and independence – the first time against aggressive Russian Czarism, and now against aggressive german Hitlerism.’Then he raised his glass: “To our love, Turkey, now as then, the Rising Crescent. On revient toujours à son premier amour.”[73].

Het merkwaardige aan de voorstelling van zaken die Ernst Jäckh hier geeft is echter, dat dit verdrag er helemaal niet toe leidde, dat Turkije de zijde van de geallieerden koos in de tweede wereldoorlog, maar zich beperkte tot een strikt neutrale opstelling. Ernst Jäckh presenteert vervolgens deze neutraliteit als een tegen Nazi-Duitsland gerichte daad en als een blijk van steun aan de geallieerden: “By adhering strictly to Turkish neutrality and thus landlocking Germany in her European prison President Inonu (opvolger van Atatürk) prevented Hitler-Germany from conquering the Near and Middle east just as Atatürk in World War I had prevented Czarist Russia from dominating the Near East and Middle Europe by landlocking Russia behind the Bosporus.”[74] In dit opzicht onderscheidt hij de neutraliteit van Turkije van die van landen als Zweden en Zwitserland die zich positiever opstelden tegenover Duitsland en die bij voorbeeld hun spoorwegnet gedeeltelijk openstelden voor Duitse treinen. De Turkse neutraliteit noemde Ernst Jäckh in dit verband ten opzichte van Duitsland een rood-licht-neutraliteit en die van Zweden en Zwitserland een groen-licht- neutraliteit.

Mijns inziens gaf Ernst Jäckh hier vanuit zijn nagenoeg kritiekloze bewondering voor Turkije een beeld van de positie van Turkije in de tweede wereldoorlog, dat met de werkelijkheid niet veel van doen had. Illustratief in dit verband is ook de titel van hoofdstuk 3 van zijn boek ‘The Rising Crescent’: “Return to one’s first love”[75] Turkije had in werkelijkheid op grond van de negatieve ervaringen die het had opgedaan in de eerste wereldoorlog in 1939 consequent gekozen voor een strikt neutrale opstelling. Tegenover het in 1939 gesloten verdrag met Engeland en Frankrijk, stond een vriendschapsverdrag met Nazi-Duitsland van 1941. Eerst toen het absoluut zeker was, dat Nazi-Duitsland de oorlog zou gaan verliezen haalde Turkije de banden met de geallieerden aan om pas in februari 1945 de oorlog te verklaren aan Nazi-Duitsland.[76]

New York 1940-1959

In 1940 vernam Ernst Jäckh van de Britse autoriteiten, dat hij op een Duitse lijst voorkwam van na de invasie te liquideren personen. Op grond daarvan kreeg Ernst Jäckh het dringende advies Engeland te verlaten en uit te wijken naar de VS. In augustus 1940 kwam hij in New York aan. Ook daar beschikte hij weer over een uitstekend netwerk. De basis daarvoor had hij gelegd in de jaren 1924-1931, toen hij in de VS lezingen hield over het nieuwe Duitsland en pleitte voor een ideologisch bondgenootschap tussen zijn land en de VS. Hierdoor kende de president van de Columbia University Ernst Jäckh en hij bewerkstelligde dat Ernst Jäckh benoemd werd tot gasthoogleraar aan zijn universiteit in de faculteit voor politieke wetenschappen. Ernst Jäckh gaf hier colleges over het Midden-Oosten en probeerde daarnaast in lezingen en artikelen de VS zich bewust te maken, dat het als grote mogendheid zich geen isolationisme kon veroorloven, maar een belangrijke rol in de wereld te spelen had. Ernst Jäckh stond daarbij een nieuwe wereldorde voor ogen, waarin internationale samenwerking, tolerantie, gelijkberechtiging en vrede gewaarborgd werden. Voor de realisatie van die nieuwe wereldorde zag hij een bijzondere rol weggelegd voor de VS en het Britse Gemenebest, wanneer zij Europa van de Nazi-terreur zouden hebben bevrijd .

Wat dat laatste betreft, trof Ernst Jäckh in 1940 naar eigen zeggen in de VS buiten de directe regeringskringen veel onderschatting aan van het gevaar, dat er van Hitler-Duitsland uitging. Hiertegen stelde hij zich teweer in lezingen, interviews en artikelen in diverse bladen o.a. het ‘Yearbook of Public Opinion’ en de ‘New York Times’.[77] Zijn boek ‘The Rising Crescent’ , dat hij publiceerde in 1944 was er vooral op gericht, het grote publiek duidelijk te maken, hoe belangrijk Turkije in het conflict met Duitsland was. Wat Ernst Jäckh ook aantrof was, dat men geen wezenlijk verschil zag tussen het Wilhelminische Duitsland en het Duitsland van Hitler. In conferenties met diverse departementen, werd hij geconfronteerd met de opvatting, dat het Wilhelminische imperialisme en Hitlers expansionisme eigenlijk een en hetzelfde was. Gezien zijn eigen rol in het Willhelminische imperialisme was dit voor Ernst Jäckh een pijnlijk punt. Het is dan ook niet verwonderlijk dat hij destijds in de VS er veel energie in stak aan te tonen, dat het hier om twee fundamenteel verschillende zaken ging.

Toen na de tweede wereldoorlog gesproken werd over de oprichting van de Navo pleitte Ernst Jäckh voor deelname van Turkije aan dit nieuwe, militaire bondgenootschap. In 1950 schreef hij hierover een uitvoerige brief aan de onderminister van het Amerikaanse ministerie van buitenlandse zaken, Burton J. Berry. Dat zijn afstand tot de centra van de macht toen toch wel groot geworden was, blijkt uit het minzame antwoord, dat hij van hem kreeg: zijn brief zou in welwillende overweging genomen worden, maar besluiten over toetreding van nieuwe leden konden alleen genomen worden bij unanimiteit van de landen die bij de Navo aangesloten waren. Hij verwelkomde evenwel een discussie van Ernst Jäckh over dit onderwerp met de directeuren van de afdelingen voor het Nabije en het Midden-Oosten van zijn ministerie.[78] Toegang op ministerieel niveau had Ernst Jäckh toen dus niet meer. Turkije werd uiteindelijk toch lid van de Navo, maar als Ernst Jäckh al enige invloed op dit besluitvormingsproces heeft uitgeoefend dan is dit slechts indirect en zeer beperkt geweest.

Belangrijker dan zijn activiteiten ten behoeve van Turkije, was in Ernst Jäckhs Amerikaanse jaren zijn inzet voor de oprichting aan de Columbia-university van een onderzoeksinstituut voor het Midden-Oosten. Toen Ernst Jäckh in 1940 in de VS aankwam trof hij daar naar eigen zeggen zelfs aan de Columbia-University nagenoeg geen kennis aan van het Midden-Oosten. De oprichting van een onderzoeksinstituut voor deze regio was naar zijn mening voor een zo belangrijk land als de VS een absolute noodzaak. Vanaf 1941 lobbyde hij hiervoor bij de autoriteiten van de Columbia-University. Hoewel hij daarvoor een welwillend oor vond, ontbrak het steeds aan de financiële middelen om een dergelijk instituut te bekostigen. Uiteindelijk wist Ernst Jäckh de financiering rond te krijgen onder meer doordat hij subsidies wist te verwerven van diverse landen in het Midden-Oosten. In 1950 ging het Middle East Institute van start en trok gemiddeld 300 studenten. Nadien werden in de VS nog vijf vergelijkbare instituten in het leven geroepen. De oprichting van het Middle East Institute was geen geringe prestatie van de toen al bejaarde Ernst Jäckh. Het was het laatste grote project waarin hij zijn talenten als organisator en netwerker kwijt kon. Negen jaar nadien overleed Ernst Jäckh in New York op 17 augustus 1959 op de leeftijd van 84 jaar.

Slot

Wie was Ernst Jäckh en wat was zijn betekenis. Wie de memoires leest van Ernst Jäckh krijgt de indruk, dat de schrijver daarvan een groot man moet zijn geweest: een staatsman van formaat. Ernst Jäckh zag zichzelf inderdaad als een staatsman en laat zich ook zonder omwegen door zijn uitgever zo introduceren in zijn boek ’The Rising Crescent’. Zijn memoires: ‘Der goldene Pflug’ en ‘Weltsaat’ hadden, zo lijkt het, primair tot doel materiaal aan te dragen dat dit beeld moest onderbouwen. Daarom ook heeft Ernst Jäckh vele archiefstukken in beide delen opgenomen. Gezien het kennelijke doel van zijn memoires wekt het geen verbazing, dat deze archiefstukken zonder uitzondering positief voor Ernst Jäckh uitpakken en vooral aangeven, dat hij met tal van hoge autoriteiten in nauwe verbinding stond. Ernst Jäckh lijkt in deze boeken een bijna niet te stillen behoefte te hebben gehad zijn naam in verbinding te brengen met hoogwaardigheidsbekleders om aldus zijn eigen gewicht te onderstrepen. Bijna eindeloos is de reeks namen van staatshoofden, ministers, politici en geleerden over wie hij schrijft, dat hij met hen in contact stond en op wie hij invloed zou hebben uitgeoefend. Kortom de memoires van Ernst Jäckh maken een ijdele en zelfgenoegzame indruk.

Ernst Jäckh was om te beginnen zeker geen staatsman. Hij heeft nooit een functie gehad of in een positie verkeerd, die een dergelijke kwalificatie rechtvaardigen. Ernst Jäckh was evenmin een wetenschapper van formaat. Zijn publicaties over Turkije en het Midden-Oosten zijn vlot geschreven, maar ook oppervlakkig. Een grondige wetenschappelijk kennis van het gebied had hij niet. Zijn boeken over Turkije lijken te zijn geschreven door een enthousiaste, weinig kritische toerist, die een land heeft ontdekt, waaraan hij zijn hart heeft verpand. Dat deze publicaties in Duitsland toch zo’n warm onthaal kregen, was mijns inziens vooral te danken aan het gegeven, dat zij goed aansloten bij de populariteit van Weltpolitik in Duitsland voor de eerste wereldoorlog. Turkije stond hierdoor in de belangstelling, omdat men in het Wilhelminische Duitsland in Turkije goede mogelijkheden zag voor economische en militaire expansie. Tegelijkertijd bestond er in Duitsland weinig specialistische kennis van dit gebied. In die constellatie werd Ernst Jäckh al snel gezien als een gezaghebbende Turkije-specialist, wiens mening meetelde en wiens kennis van belang was voor het ministerie van buitenlandse zaken.

Voor de eerste wereldoorlog was Ernst Jäckh een uitgesproken aanhanger van het liberaal-imperialisme, een gematigde, vooral economische vorm van imperialisme. Hij zag grote mogelijkheden in nauwe samenwerking tussen Turkije en Duitsland, primair op economisch terrein. Ernst Jäckh was dan ook een enthousiast voorstander van de aanleg van de Bagdadspoorweg. Van deze samenwerking tussen Turkije en Duitsland verwachtte hij voor beide landen gunstige effecten. Turkije zou hierdoor economisch kunnen opbloeien en het proces van verval als staat kunnen stoppen. Duitsland zou door deze samenwerking zijn economische en politieke positie in de wereld kunnen versterken doordat het in Turkije zowel een belangrijke grondstoffenleverancier als een omvangrijke afzetmarkt had gevonden. Beide zaken waren in Jäckhs optiek, in navolging van het gedachtegoed van Friedrich Naumann en Max Weber, noodzakelijke voorwaarden voor het voortbestaan van Duitsland als wereldmacht.

Militair strategische overwegingen stonden dan wel niet op de eerste plaats in Ernst Jäckhs liberaal-imperialisme, maar op de achtergrond spelen zij wel degelijk mee. Hij is zich van het begin af aan ervan bewust, dat versterking van de Turkse staat van grote betekenis is vanwege de dreiging die daarvan uitging naar de Perzische Golf en het Suezkanaal, Engelands vitale verbinding met India. Ook is vanaf het begin bij hem het besef aanwezig, dat een sterke Turkse staat Rusland de toegang tot de Middellandse Zee kan weigeren door afsluiting van Bosporus en Dardanellen. Dat zulke zaken van groot belang zijn voor Duitsland en Duitslands positie in de wereld in een toekomstig conflict met Engeland en Rusland, weet Ernst Jäckh als geen ander. In de aanloop naar de eerste wereldoorlog krijgen deze aspecten in zijn beschouwingen dan ook een steeds grotere rol.

Ernst Jäckh heeft onmiskenbaar enige invloed gehad op de Duitse buitenlandse politiek in de periode 1908-1918 door de boeken en artikelen die hij publiceerde en door zijn rol als honorair ambassadeur voor de Duitse regering in Turkije. Met zijn publicaties beïnvloedde hij de publieke opinie en men kan zeker stellen, dat Ernst Jäckh in deze jaren met zijn ideeën over Turkije heeft bijgedragen aan het imperialistische klimaat in Duitsland. Daarnaast telden zijn adviezen als honorair ambassadeur mee in de oordeelsvorming van het ministerie van buitenlandse zaken. Dit blijkt bij voorbeeld bij het tot stand komen van het Duits-Turkse bondgenootschap in 1914. en ook komt dit naar voren, wanneer hij intervenieert naar de Duitse regering toe tijdens de eerste wereldoorlog, wanneer het Duits-Turkse bondgenootschap geschaad dreigt te worden.

Ernst Jäckh was een buitengewoon actief man. Wat daarbij steeds naar voren komt is zijn talent om netwerken op te bouwen. Waar hij in zijn leven ook verblijft, steeds weet hij zeer succesvol relaties op te bouwen en te onderhouden. Opvallend daarbij is ook, dat Ernst Jäckh als netwerker in de landen waar hij verblijft, steeds een grote voorkeur heeft voor de de machthebbers en de ‘decisionmakers. In Duitsland gaat het daarbij om regeringskringen, militaire autoriteiten, gezaghebbende politici en vooraanstaande intellectuelen. In Turkije betreft het met name de Jong-Turkse leiders. Tegelijkertijd lijkt deze eigenschap ook op gespannen voet te staan met zijn stelling, dat hij altijd een onafhankelijke positie innam. Het verhinderde hem een fundamenteel kritische opstelling in te nemen. Een typerend voorbeeld daarvan is zijn houding tegenover de Armeense kwestie. Aanvankelijk probeerde hij de massamoord op de Armeniërs in 1909 te relateren aan het beleid van de sultan, aan de sociaal-economische positie van de Armeniërs en aan hun nationalisme. In die fase kan hij de Jong-Turkse leiders nog vrijpleiten van betrokkenheid. Later in 1915 is dit niet meer mogelijk. Ernst Jäckh is dan opvallend zwijgzaam over dit onderwerp. Veel verder dan enkele interventies ten gunste van in hun bestaan bedreigde Armeense groepen gaat hij dan niet. Het komt van zijn kant al helemaal niet tot een openlijke en krachtige veroordeling van de rampzalige beslissing van de Jong-Turkse autoriteiten in 1915 om de Armeense bevolkingsgroep uit het eigenlijke Turkije te verwijderen. Opvallend is ook dat Ernst Jäckh in zijn memoires nagenoeg niets zegt over deze zaak.

Het lijkt erop, dat Ernst Jäckh in de loop van de eerste wereldoorlog langzamerhand gaat twijfelen aan de zin van de oorlog. Met toenemende zorg kijkt hij naar wat er over blijft van zijn liberaal-imperialisme. Zijn visie op Turkije als onafhankelijke bondgenoot van Duitsland wordt geen regeringsbeleid. Integendeel in de oorlogsjaren bepalen steeds meer de alldeutsche opvattingen, die overheersend zijn in het leger, het Duitse zicht op Turkije. In die visie is Turkije op zijn best een vazalstaat. De dood van zijn zoon Hans Jäckh in de allerlaatste dagen van de oorlog, markeert mijns inziens het definitieve einde van Ernst Jäckhs denken in termen van liberaal-imperialisme. Toen zijn zoon in 1918 moest opkomen was Ernst Jäckh al een voorstander geworden van het zo snel mogelijk beëindigen van deze uitzichtloze oorlog door een vrede zonder annexaties. Dat dit niet mogelijk bleek en dat dit hem het verlies van zijn enige kind opleverde, moet voor Ernst Jäckh een buitengewoon bittere en verdrietige ervaring zijn geweest. Wat treft, is dat hij zich na de oorlog met heel veel energie inzet voor de Deutsche Hochschule für Politik, waarvan hij veel verwachtte voor een democratisering van de Duitse samenleving. Hij hoopte, dat hierdoor een herhaling van wat er in 1914 was gebeurd, voorkomen kon worden. Alleen dan had de opoffering van een complete jeugdgeneratie misschien nog enige zin gehad. Veelzeggend is in dit verband, dat hij voor veelbelovende studenten van de Deutsche Hochschule für Politik een prijs instelde die hij naar zijn gesneuvelde zoon noemde. Ernst Jäckh stelt zich in deze jaren op als een uitgesproken aanhanger van de Weimarrepubliek en als een enthousiast voorstander van de Volkerenbond. Als directeur van de Deutsche Hochschule für Politik, blijkt hij een voortreffelijk organisator te zijn, zoals trouwens ook al eerder zichtbaar werd, toen hij de leiding op zich had genomen in 1912 van de Deutsche Werkbund. Organiseren is zijn leven lang naast zijn vermogen tot netwerken eveneens een kenmerkend talent geweest van Ernst Jäckh. Dat blijkt ook uit zijn optreden als uitgever van de reeks ‘Politische Flugschriften’ en de bladen ‘Das gröβere Deutschland’ en ‘Deutsche Politik’ tijdens de eerste wereldoorlog en later in zijn Londense periode uit zijn activiteiten voor de New Commonwealth Society. In zijn Amerikaanse jaren komt dit weer naar voren bij de oprichting van het Middle East Institute. Ook Theodor Heuss noemt dit organisatietalent van Ernst Jäckh in het bijzonder. Ernst Jäckh heeft mijns inziens ook meer betekenis gehad op dit terrein, in ieder geval een positievere betekenis, dan op het diplomatieke vlak.

Na de eerste wereldoorlog publiceerde Ernst Jäckh niet meer over imperialisme in wat voor liberale of gematigde vorm dan ook. Hij lijkt deze ideeën dan achter zich te hebben gelaten en daaraan ook niet graag meer herinnerd te willen worden. Vooral niet toen hij in de VS merkte dat er weinig onderscheid werd gemaakt tussen het Wilhelminische imperialisme en Hitlers expansiedrang. Ook Turkije treedt dan terug in zijn aandacht. Dat verandert wanneer hij gedwongen door Hitlers machtsgreep in 1933 naar Engeland vertrekt om directeur te worden van de New Commonwealth Society.Via het snel door hem opgebouwde netwerk, wordt hij belast met diplomatieke missies o.a. naar Turkije. Ernst Jäckh doet het in zijn memoires voorkomen alsof hij dan weer een factor van belang is in het tot stand komen van een bondgenootschap tussen Engeland en Frankrijk enerzijds en Turkije anderzijds. Het lijkt mij, dat ook hier de ingebeeldheid van Ernst Jäckh een woordje meespreekt. Waarschijnlijk was dit verdrag ook wel gesloten zonder zijn toedoen. Zijn rol daarin lijkt mij beperkt te zijn geweest. Bovendien had dit bondgenootschap zekerniet dezelfde betekenis als destijds het verdrag tussen Turkije en Duitsland. Turkije had zijn les van de eerste wereldoorlog goed geleerd en was nu vast besloten buiten een toekomstig conflict te blijven. De voorstelling van zaken die Ernst Jäckh geeft van de betekenis van dit bondgenootschap met zijn theorie van de roodlichtneutraliteit, heeft weinig met de werkelijkheid van doen.Tegenover het bondgenootschap met Engeland en Frankrijk sloot Turkije nog in 1941 een vriendschapsverdrag met Duitsland en het wist met succes buiten de oorlog te blijven totdat het zonder risico’s daaraan ging deelnemen in 1945.

Wat in deze herleefde belangstelling van Ernst Jäckh voor Turkije vooral opvalt, is dat zijn blik op dit land nu nog uitsluitend bepaald lijkt te worden door de strategische betekenis van Turkije vanwege zijn geografische ligging. Dat komt ook naar voren wanneer hij in 1940 om veilgheidsreden, zoals hij in zijn memoires vermeldt, naar de Verenigde Staten gaat om hoogleraar te worden aan de Columbia-University te New York. In zijn memoires wekt hij de indruk hier invloed gehad te hebben op het onstaan van de Trumandoctrine en het besef van het belang van Turkije voor de VS en Westeuropa als bondgenoot tegen de Sovjet-Unie. Weliswaar heeft hij in woord en geschrift daarvoor gepleit in de VS, maar zijn invloed was in dit land mijns inziens nog kleiner en indirecter dan in Engeland. Als honorair ambassadeur is hij in ieder geval niet meer actief geweest. Zijn verdienste in deze periode ligt primair in de oprichting van het Middle East Institute, waardoor in de VS voor het eerst wetenschappelijk onderzoek werd gedaan naar het Midden-Oosten. Dat is zeker van betekenis geweest voor de Amerikaanse buitenlandse politiek na de tweede wereldoorlog.

Ernst Jäckh heeft zijn leven lang in Turkije steeds de ideale bondgenoot gezien. Als hij voor één land als ambassadeur is opgetreden, dan is het voor Turkije geweest. De boodschap van Turkije als de ideale bondgenoot heeft hij uitgedragen in zijn zwerftocht van oost naar west. Dit heeft Ernst Jäckh als zijn meest succesvolle optreden gezien en als zijn grootste prestatie. Mede hierom zag hij zichzelf als een eminent staatsman. Dit zelfbeeld is evenwel weinig reëel . De rol die hij op diplomatiek terrein speelde was bescheiden, beperkte zich tot het Wilhelminische Duitsland en was bovendien dubieus. Desondanks is Ernst Jäckh historisch gezien een interessante figuur, omdat in hem de mislukking van het merkwaardige fenomeen van het liberaal-imperialisme zo duidelijk zichtbaar wordt. Hij was bij uitstek de vertegenwoordiger van deze links-liberale visie op de buitenlandse politiek van het Wilhelminische Duitsland. Intrigerend in deze door Friedrich Naumann en Max Weber ontwikkelde politieke denkrichting is, dat daarin geprobeerd wordt links-liberale maatschappelijke, politieke en economische hervormingsidealen met imperialisme te verbinden. Dat dit geprobeerd werd toont aan hoe wijd verbreid en krachtig het imperialisme als ideologie inmiddels was geworden. De idee, dat imperialisme een conditio sine qua non was voor een grote mogendheid, was in deze periode in Europa uitgegroeid tot een nagenoeg collectief idée fixe. Noch binnenlands, noch buitenlands evenwel wist het Wilheminische links-liberalisme iets te bereiken vanwege deze vereniging van onverenigbare doelen als maatschappelijke hervorming en imperialistische machtspolitiek. Voor wat betreft het buitenlands beleid blijkt deze mislukking uit het onvermogen van Ernst Jäckh om zijn ideeën over Turkije als gelijkwaardige, economische en politieke bondgenoot om te zetten in officieel Duits beleid. Voor wat betreft de binnenlandse politiek wordt de mislukking van het liberaal-imperialisme zichtbaar in het onvermogen van Friedrich Naumann om via deze weg democratisering van het staatsbestel en sociale hervormingen te realiseren. Dat Ernst Jäckh zich pas serieus met democratisering van de Duitse politiek ging bezig houden in de Weimarrepubliek, toen het liberaal imperialisme geen issue meer was, onderstreept het falen van dit concept nog eens. Op dit gebied heeft Ernst Jäckh verdiensten gehad , niet echter als staatsman of wetenschapper zoals hij zelf van mening was, maar als organisator en inspirator van de Deutsche Hochschule für Politik.

Literatuur en bronnen

P. Arndt, ‘Ernst Jäckh Der aufsteigende Halbmond,. In: Zeitschrift für Sozialwissenschaft. Vol 2(1911) p.804 Boekbespreking.

R. Bakker, L. Vervloet en A. Gailly, Geschiedenis van Turkije, (Amsterdam, 1997)

Baumgart, W. Deutschland im Zeitalter des Imperialismus 1890-1914. Grindkräfte, Thesen und Strukturen. (5e druk; Stuttgart, Berlin, Köln, Mainz 1986)

Fischer, F. Krieg der Illusionen. Die deutsche Politik von 1911 bis 1914. (Düsseldorf 1969)

P. Groenewold, Het einde van een vriendschap. Carl Heinrich Becker, Christiaan Snouck Hurgronje en de Heilige Oorlog. (RUG, Groningen z.j.).

Th. Heuss, Erinnerungen 1905-1933. (Tübingen,1963)

Th. Heuss, Friedrich Naumann: der Mann, das Werk, die Zeit. (Stuttgart 1949)

E. Jäckh, Der goldene Pflug. Lebensernte eines Weltbürgers. (Stuttart 1954)

E. Jäckh, Weltsaat. Erlebtes und Erstrebtes. (Stuttgart 1960)

E.J. Jäckh, Kiderlen-Wächter. Der Staatsmann und Mensch. Briefwechsel und Nachlaβ . 2 dln Berlijn 1925.

E. Jäckh, Der aufsteigende Halbmond. Beträge zur türkischen Renaissance. (Berlin 1911)

E.Jäckh, Deutschland im Orient nach dem Balkankrieg. (München, 1913)

E. Jäckh, The Rising Crescent. Turkey Yesterday, Today, and Tomorrow. (New York 1944)

E. Jäckh, Politik als Wissenschaft. Zehn Jahre deutsche Hochschule für Politik. (Berlin 1931)

W.J. Mommsen, Groβmachtstellung und Weltpolitik. Die Auβenpolitik des Deutschen Reiches1870-1914. (Frankfurt am Main 1993)

W.J. Mommsen, ‘Wandlungen der liberalen Idee im Zeitalter des Imperialismus . ’ In: K.Holl en G. List ed., Liberalismus und imperialistischer Staat (Göttingen, 1975.)

Th. Nipperdey, Deutsche Geschichte 1866-1918 II Machtstaat vor der Demokratie. (3e druk, Műnchen 1995)

J. Petsch, ‘The Deutscher Werkbund from 1907 t0 1933 and the movements fot the reform of life and culture’ in l. Burckhardt ed., The Werkbund. Studies in the history and ideology of the Deutscher Werkbund 1907-1933. (London 1980)

E.Rosenbaum, ‘Der goldene Pflug: Lebensernte eines Weltbürgers. By Ernst Jäckh. Stuttgart 1954’ in: International Affairs Vol. 32 (1956)

W.G. Schwanitz, Dschihad, ‘Made in Germany’. Wie Max von Oppenheim versuchte den ‘Heiligen Krieg’ für die Ziele des deutschen Imperialismus einzuspannen. Der jungen Welt, 30. März 2004. (http://www.uni-kassel.de/fb5/frieden/themen/islam/dschihad.html

P. Theiner, Sozialer Liberalismus und deutsche Weltpolitik. Friedrich Naumann im Wilhelminischen Deutschland (1860-1919)

Gedrukte bronnen:

Vardges Mikaelyan, Die armenische Frage und der Genozid an den Armeniern in der Türkei (1913-1919) Dokumente des politischen Archivs des Auswärtigen Amts Deutschlands. (Jerevan, 2004)

Niet gedrukte bronnen:

Ernst Jäckh Papers. Manuscripts and Archives, Yale University Library.

[...]


[1] E. Jäckh, Der goldene Pflug. Lebensernte eines Weltbürgers. (Stuttart 1954) 210.

[2] W.J. Mommsen, Groβmachtstellung und Weltpolitik. Die Auβenpolitik des Deutschen Reiches1870-1914. (Frankfurt am Main 1993) 283

[3] Jäckh. Der goldene Pflug, 9

[4] Jäckh. Der goldene Pflug, 9

[5] Jäckh. Der goldene Pflug, 9

[6] W.J. Mommsen, Groβmachtstellung und Weltpolitik. 181 vlg

[7] Baumgart, W. Deutschland im Zeitalter des Imperialismus 1890-1914. Grundkräfte, Thesen und Strukturen. (5e druk; Stuttgart, Berlin, Köln, Mainz 1986) 33

[8] W.J. Mommsen, Groβmachtstellung und Weltpolitik, 107 vlg.

[9] Baumgart, Deutschland im Zeitalter des Imperialismus, 46-49.

[10] Baumgart, Deutschland im Zeitalter des Imperialismus, 49.

[11] Fischer, F. Krieg der Illusionen. Die deutsche Politik von 1911 bis 1914. (Düsseldorf 1969) 348-349

[12] Th. Nipperdey, Deutsche Geschichte 1866-1918 II Machtstaat vor der Demokratie. (3e druk, Műnchen 1995) 604 vlg.

[13] Fischer, Krieg der Illusionen, 352

[14] Fischer, Krieg der Illusionen, 354

[15] W.J. Mommsen, ‘Wandlungen der liberalen Idee im Zeitalter des Imperialismus . ’ In: K.Holl en G. List ed., Liberalismus und imperialistischer Staat (Göttingen, 1975.) 115 vlg.

[16] Jäckh, Der goldene Pflug, 46.

[17] Jäckh, Der goldene Pflug, 52.

[18] Jäckh, Der goldene Pflug, 56

[19] Ernst Jäckh wordt door de loge ‘Urania zur Unsterblichkeit’ te Berlijn vermeld op een lijst van bekende vrijmetselaars. www.loge-urania.de

[20] Jäckh, Der goldene Pflug, 86.

[21] P. Theiner, Sozialer Liberalismus und deutsche Weltpolitik. Friedrich Naumann im Wilhelminischen Deutschland (1860-1919) 70 vlg. 306.

[22] Baumgart, Deutschland im Zeitalter des Imperialismus, 50

[23] Jäckh, Der goldene Pflug, 123

[24] E. Jäckh, E, Kiderlen-Wächter. Der Staatsmann und Mensch. Briefwechsel und Nachlaβ.2 dln Berlijn 1925. deel 1 287.

[25] Jäckh, Kiderlen-Wächter. 288

[26] Jäckh, Der goldene Pflug, 124

[27] Jäckh, E Der aufsteigende Halbmond. Beträge zur türkischen Renaissance. (Berlin 1911) 7-9

[28] Jäckh, Der Aufsteigende Halbmond, 7

[29] Jäckh, Der Aufsteigende Halbmond, 48

[30] Jäckh, Der Aufsteigende Halbmond, 49

[31] Jäckh, Der Aufsteigende Halbmond, 179-180

[32] Jäckh, Der Aufsteigende Halbmond, 179-181

[33] Jäckh, Der Aufsteigende Halbmond, 56-57

[34] Jäckh, Der Aufsteigende Halbmond, 48

[35] Jäckh, Der Aufsteigende Halbmond, 66

[36] Jäckh, Der Aufsteigende Halbmond, 67

[37] Vardges Mikaelyan, Die armenische Frage und der Genozid an den Armeniern in der Türkei (1913-1919) Dokumente des politischen Archivs des Auswärtigen Amts Deutschlands. (Jerevan, 2004) 192

[38] E.Jäckh, Deutschland im Orient nach dem Balkankrieg. (München, 1913) 9-33

[39] Jäckh, Der goldene Pflug, 92

[40] J. Petsch, ‘The Deutscher Werkbund from 1907 t0 1933 and the movements fot the reform of life and culture’ in l. Burckhardt ed., The Werkbund. Studies in the history and ideology of the Deutscher Werkbund 1907-1933. (London 1980) 85 vlg.

[41] Th. Heuss, Erinnerungen 1905-1933. (Tübingen,1963)115

[42] Jäckh, Der goldene Pflug, 174-175

[43] Jäckh, Der goldene Pflug, 175

[44] Jäckh, Der goldene Pflug, 174

[45] Jäckh, Der goldene Pflug, 211

[46] Jäckh, Der goldene Pflug, 213

[47] E. Jäckh, The Rising Crescent. Turkey Yesterday, Today, and Tomorrow. (New York 1944) 122.

[48] Jäckh, Der goldene Pflug, 227

[49] Ernst Jäckh Papers. Manuscripts and Archives, Yale University Library. Box 1, nrs 1 tm. 35

[50] Jäckh, The Rising Crescent, 118-120

[51] EJ Der goldene Pflug, 230 (Duitse versie van deze brief is van 18-10-1915 blijkt uit Jäckh , The Rising Crescent, 139.)

[52] Ernst Jäckh Papers. Manuscripts and Archives, Yale University Library. Box 1, nr. 6 1915 Sep.-Nov.

[53] Ernst Jäckh Papers. Manuscripts and Archives, Yale University Library. Box 1, nr. 8 1916 Jun-Nov

[54] Jäckh, Der Goldene Pflug, 179 ( E.J. vermeldt als datum van de brief 10 maart 1917.Dit moet 1916 zijn)

[55] Ernst Jäckh Papers. Manuscripts and Archives, Yale University Library. Box 1, nr. 7 1916 Jan.-Mar.

[56] Jäckh, The Rising Crescent, 135

[57] Jäckh, The Rising Crescent, 102.

[58] E. Jäckh, Weltsaat. Erlebtes und Erstrebtes. (Stuttgart 1960), 171.

[59] Jäckh, The Rising Crescent, 145.

[60] Jäckh, The Rising Crescent, 144. EJ noemt hier de publicaties van O. von Hentigs, Meine Diplomatenreis ins verschlossene Land (Afghanistan); O von Niedermayer’s, Unter der Glutsonne Irans: Kriegserlebnisse der deutschen Expedition nach Persien und Afghanistan. Christopher Sykes, Wassmuss, the German Lawrence.

[61] Ernst Jäckh Papers. Manuscripts and Archives, Yale University Library. Box 2, nr. 47: Oppenheim, Max A.S., Freiherr von, Die revolutionierung der islamischen Gebiete unserer Feinde. (okt. 1914)

[62] W.G. Schwanitz, Dschihad, ‘Made in Germany’. Wie Max von Oppenheim versuchte den ‘Heiligen Krieg’ für die Ziele des deutschen Imperialismus einzuspannen. Der jungen Welt, 30. März 2004. (http://www.uni-kassel.de/fb5/frieden/themen/islam/dschihad.html

[63] W.G. Schwanitz, Dschihad, ‘made in Germany’. Wie Max von Oppenheim versuchte den ‘Heiligen Krieg’ für die Ziele des deutschen Imperialismus einzuspannen. Der jungen Welt, 30. März 2004. (http://www.uni-kassel.de/fb5/frieden/themen/islam/dschihad.html

[64] P. Groenewold, Het einde van een vriendschap. Carl Heinrich Becker, Christiaan Snouck Hurgronje en de Heilige Oorlog. (RUG, Groningen z.j.).

[65] R. Bakker, L. Vervloet en A. Gailly, Geschiedenis van Turkije, (Amsterdam, 1997)150.

[66] Ernst Jäckh Papers. Manuscripts and Archives, Yale University Library. Box 2 nrs. 48 t/m 52.

[67] Ernst Jäckh Papers. Manuscripts and Archives, Yale University Library. Box 2, nr. 51

[68] Ernst Jäckh Papers. Manuscripts and Archives, Yale University Library. Box 2, nr. 52.

[69] Jäckh. The Rising Crescent, 148.

[70] Jäckh. Weltsaat, 88.

[71] Jäckh, Weltsaat, 161.

[72] Jäckh, Weltsaat, 179.

[73] Jäckh. The Rising Crescent, 25.

[74] Jäckh. The Rising Crescent, 246.

[75] Jäckh. The Rising Crescent, 25.

[76] R. Bakker, L Vervloet, A. Gailly, Geschiedenis van Turkije. 162

[77] Jäckh, Weltsaat, 216

[78] Jäckh, Weltsaat, 229

Details

Seiten
27
Jahr
2006
Dateigröße
527 KB
Sprache
Deutsch
Katalognummer
v110007
Note
Schlagworte
Liberaal-imperialisme Wilhelminische Duitsland Ernst Jäckh Turkije

Autor

Teilen

Zurück

Titel: Liberaal-imperialisme in het Wilhelminische Duitsland. Ernst Jäckh en Turkije